3 Makkabeeën 7
Lees 3 Makkabeeën 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De brief van de koning aan al zijn stadhouders, om de Joden vrij naar huis te laten trekken, zonder hen op enige wijze te benadelen. 8 De Joden verzoeken dat zij degenen die van het Jodendom afgevallen waren, zouden mogen straffen, wat de koning toestaat, en het gebeurt. 11 Zij danken de koning en vertrekken. 16 Te Ptolomaïs aangekomen, hielden zij daar een vreugdemaaltijd, besloten opnieuw die dag altijd te vieren, en richtten daar een zuil op ter gedachtenis. 18 En ieder kreeg, thuisgekomen, weer het bezit van zijn goederen.
1De koning Ptolomeüs Filopator wenst de stadhouders in Egypte, en allen die over de zaken van het land gesteld zijn, geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen ook nog wel.
2Als de grote God voor ons de zaken gelukkig bestuurde zoals wij wensten, zo hebben sommigen van onze vrienden, gedreven door boosaardigheid, zeer dikwijls bij ons aangehouden, en ons ook overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk zijn, op één hoop zouden doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen, zoals afvalligen, straffen.
3En zij gaven voor, dat onze zaken nimmer een goede stand zouden hebben, om de vijandschap, die deze tegen alle volken hebben, totdat dit zou volbracht zijn.
4Die hen ook gebonden, en met veel overlast herwaarts gebracht hebben, zoals slaven, ja veel meer zoals verraders, en gepoogd, zonder enige ondervraging en onderzoeking, te doden zijnde verstrikt met onstuimige wreedheid, als de Scyten plegen te gebruiken.
5En wij, hoewel hen over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar de goedertierenheid, die wij hebben tegenover alle mensen, hun nauwelijks het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden beschermde, en altijd voor hen, als een vader voor zijn kinderen, streed; ook overleggende de vriendschap, waarmee zij ons en onze voorouders een vaste goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van alle beschuldiging, hoe die ook zij.
6En wij hebben een ieder bevolen, en gelasten dat zij tot al het hunne mogen terugkeren, en dat niemand in enige plaats hun enigszins leed doe, noch iets verwijte over wat hun buiten recht en reden overkomen is.
7Want u zult weten, is het dat wij tegen hen iets kwaads zullen bedenken of hen enigszins zullen bedroeven, dat wij niet één mens, maar de hoogste God, de heerser aller mogendheid, altijd in alles onvermijdelijk tot onze tegenstander zullen hebben, tot wraak van zulk een doen. Vaartwel.
8Als de Joden deze brief ontvangen hadden, haastten zij zich niet om meteen te vertrekken, maar zij baden de koning, dat degenen, die uit het geslacht van de Joden willens en wetens de heilige God en de wet van God verlaten hadden, door hen mochten ontvangen behoorlijke straf.
9En zij wendden voor, dat die omwille van de buik de Goddelijke geboden overtreden hadden, nimmer welgezind zouden zijn tot de geboden van de koning.
10En hij begreep, dat zij de waarheid zeiden, en prees hen ook, en gaf hun macht over al zulke mensen, dat zij degenen, die de wet van God overtreden hadden, in alle plaatsen van zijn koninkrijk vrij zonder enige verdere koninklijke macht of onderzoek, zouden uitroeien.
11Toen hebben zij de koning (zoals het betaamde) gedankt; en hun priesters, en de hele menigte riepen: Hallelujah, en zij vertrokken met blijdschap.
12En zo straften zij hun medeburgers, die zich verontreinigd hadden, en die op de weg in hun handen vielen, en zij sloegen hen dood na hen vele openbare smaadheden aangedaan te hebben.
13En op die dag sloegen zij over de driehonderd mannen dood, en maakten vreugde, met blijdschap de onheiligen dodende.
14Maar zij, die tot de dood toe zich aan God hadden gehouden, als zij nu de volkomen genieting van hun behoudenis verkregen hadden vertrokken zoals uit de stad met allerlei zeer geurende bloemen bekroond, met blijdschap en gejuich; en zij dankten met lofliederen en zoete lofzangen de God van hun vaders, de heilige verlosser van Israël.
15Als zij nu gekomen waren tot de stad Ptolomaïs, die vanwege de eigenschap van de plaats Rhodoforos genoemd werd, waar een vloot naar hun algemeen goedvinden zeven dagen lang op hen wachtte, hielden zij daar een vreugdemaaltijd van hun behoud, want de koning beschikte goedwillig aan een ieder alle behoefte tot de reis, totdat zij thuis kwamen.
16En toen zij te Ptolomaïs met vrede gekomen waren, in behoorlijke dankzegging, zo hebben zij daar ook besloten, dat zij op gelijke wijze daar met vrolijkheid die dagen wilden vieren, zolang zij als vreemdeling leefden.
17Aan welke zij ook tot een heilig gebruik een herinneringspilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. En zo vertrokken zij te land en ter zee, en over de rivieren, een ieder naar zijn huis ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, als die door het gebod van de koning behouden waren en zij hadden meer macht tegen hun vijanden, dan tevoren, met heerlijkheid en vrees.
18En zij werden door niemand enigszins van hun goederen verstoten, maar zij kregen allen het hunne uit de aantekening weer, zodat die iets van het hunne hadden, het aan hen met zeer grote vrees wedergaven, omdat de opperste God grote daden tot hun behoud gedaan had.
19De Verlosser van Israël zij te prijzen in de eeuwigheid. Amen.