4 Baruch 1
Lees 4 Baruch 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En het gebeurde, toen de koning van de Chaldeeën de kinderen van Israël gevangen wegvoerde, dat God tot Jeremia sprak en tot hem zei: Jeremia, Mijn uitverkorene, sta op en ga uit deze stad, u en Baruch, want Ik ben op het punt haar te verderven vanwege de menigte van de zonden van hen die in haar wonen.
2Want ook uw gebed is als een vaste pilaar in het midden van de stad, en als een muur van diamant die haar omringt.
3Staat dan op en gaat heen en trekt uit, eer de macht van de Chaldeeën komt en de stad omsingelt.
4En Jeremia sprak, zeggende: Ik smeek U, mijn Heere, gebied uw dienaar, dat hij voor uw aangezicht spreke.
5En de Heere zei tot hem: Spreek, Mijn uitverkorene Jeremia.
6En Jeremia sprak en zei: O Heere, U Die alle dingen bevat, zoudt U deze uitverkoren stad overgeven in de hand van de Chaldeeën, opdat de koning met zijn volken zich beroeme en zegge: Ik heb de stad Gods overweldigd?
7O Heere, maar als U het wilt, laat zij door uw hand verdorven worden.
8En de Heere zei tot Jeremia: Omdat u Mijn uitverkorene zijt, sta op en trek uit, u en Baruch, want Ik ben op het punt haar te verderven om de zonden van hen die in haar wonen.
9Noch de koning noch zijn macht zal in de stad kunnen binnengaan, als Ik niet eerst haar poorten geopend heb.
10Nu dan, sta op en ga heen tot Baruch, en verkondig hem deze woorden. En als gijlieden opgestaan zijt,
11wanneer het het zesde uur van de nacht geworden is, komt op de muur van de stad, en ik zal u tonen dat, als ik niet eerst de stad verderf, zij niet kunnen binnengaan.
12En toen de Heere dit gezegd had, ging Hij weg van Jeremia.