4 Baruch 3
Lees 4 Baruch 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En toen het zesde uur van de nacht gekomen was, zoals de Heere tot Jeremia gezegd had, dat hij zou uitgaan met Baruch, kwamen zij op de muur van de stad, en zij bleven daar, wachtende.
2En er kwam een geluid van een bazuin, en de engelen daalden neder uit de hemel, en in hun handen droegen zij brandende fakkels, en zij stonden op de muur van de stad.
3En toen zagen Jeremia en Baruch het, en zij huilden, zeggende: Nu weten wij, dat het woord waarachtig is.
4En Jeremia smeekte de engelen, zeggende: Ik smeek u, verderft de stad in geen geval, totdat ik den Heere iets vraag.
5En de Heere sprak tot de engelen, zeggende: Verderft de stad niet, totdat Ik gesproken heb met Jeremia, Mijn uitverkorene.
6En toen sprak Jeremia, zeggende: Ik smeek U, mijn Heere, gebied mij, dat ik met U spreke. En Hij zei tot hem:
7Spreek, Jeremia, Mijn uitverkorene, wat u begeert.
8En Jeremia zei tot Hem: Zie nu, mijn Heere, wij weten dat U de stad overgeeft in de hand van haar vijanden, en dat het volk van Babylon haar zal wegvoeren. En wat begeert U dat ik doe met het heilige gerei van onze dienst, dat wij in het verborgene bedienen?
9En wat begeert U dat ik met hen doe?
10En Hij zei tot hem: Neem ze, en geef ze over aan de aarde, en aan het huis des heiligdoms, zeggende: En u, o aarde, hoor de stem van uw Schepper, Die u geschapen heeft in de menigte van de wateren, Die u verzegeld heeft met een zegel; ontvang uw sieraad terug.
11Bewaar het gerei van uw dienst, totdat de komst des Beminden aanbreekt.
12En Jeremia sprak, en zei: Ik smeek U, mijn Heere, toon mij wat ik doen zal voor Abimelech, den Moor, die vele weldaden bewezen heeft aan het volk, en ook aan uw knecht Jeremia, meer dan alle mannen van de stad.
13Want hij trok mij op uit den put des slijks; en ik begeer niet dat hij het verderf en de verwoesting van de stad ziet, opdat hij niet bedroefd worde.
14En de Heere zei tot Jeremia: Zend hem naar den wijngaard van Agrippa, langs de weg van den berg, en Ik zal hem verbergen, totdat Ik het volk wederbreng in de stad.
15En u, Jeremia, ga heen met het volk, totdat u komt in het land van Babylon, en blijf daar, hun profeterende, totdat Ik hen wederbreng in hun stad.
16Maar laat Baruch daar achter in Jeruzalem, totdat Ik met hem spreke. En de Heere sprak dit alles tot Jeremia.
17En de Heere voer op van Jeremia in de hemel.
18En Jeremia en Baruch gingen in in het huis des heiligdoms, en al het gerei van hun dienst gaven zij over aan de aarde, zoals de Heere hun geboden had.
19En meteen verzwolg de aarde het.
20En zij zaten beiden neder, en zij huilden.
21En des anderen daags, toen het morgen werd, zond Jeremia Abimelech, zeggende: Neem een mand, en ga heen langs de weg van den berg, naar den hof des wijngaards van Agrippa, en breng een weinig vijgen mee voor de kranken onder het volk; want de blijdschap des Heeren is op uw hoofd, en Zijn heerlijkheid.
22En hij ook ging heen, gelijk hij hem geboden had.