4 Baruch 4
Lees 4 Baruch 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En toen het morgen werd, ziet, het leger van de Chaldeeën omsingelde de stad.
2En de grote engel blies op de bazuin en zei: Gaat binnen, u leger van de Chaldeeën; want ziet, de poort is voor u geopend.
3En meteen ging de koning binnen met zijn legermachten, en zij voerden al het volk gevangen weg.
4En meteen nam Jeremia de sleutels van het huis des heiligdoms en ging buiten de stad, en wierp deze sleutels voor de zon, zeggende: Ik zeg u, o zon, neem de sleutels van het huis Gods en bewaar ze tot de dag waarop de Heere ze van u afeisen zal; want ons is het niet gegeven, naar onze geboorte, om ze te bewaren.
5Want wij zijn bevonden, terwijl wij onze zonden bedekten, onwaardige bewaarders te zijn.
6En terwijl Jeremia nog huilde over het volk, brachten zij hem naar buiten, terwijl zij hem voortsleepten en sleurden met het volk tot in Babylon.
7En Baruch nam stof en wierp het op zijn hoofd, en zat neder en hief deze weeklacht aan, zeggende: Om welke oorzaak is Jeruzalem verwoest? Om de zonde van het geliefde volk, en zij is overgegeven in de hand van haar vijand, om onze zonden en die van het volk.
8Opdat de goddelozen zich niet beroemen en zeggen: Wij hebben vermocht de stad Gods in te nemen door onze kracht; niet door uw sterkte hebt u haar vermocht, maar om onze zonden is zij aan u overgegeven.
9Onze God zal Zich over ons ontfermen en ons teruggeven in onze stad; maar u zult geen leven hebben.
10Zij zijn onze vaderen Abraham en Izak en Jakob, want zij zijn uit deze wereld heengegaan en hebben de verwoesting van deze stad niet gezien.
11En na dit gezegd te hebben ging hij uit, huilend, en zei: Ik treur om u, o Jeruzalem. En hij ging uit de stad en woonde in een graf.
12En hij verbleef in een graf, en de engelen kwamen tot hem en verkondigden hem aangaande alles.