4 Baruch 7
Lees 4 Baruch 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En Baruch stond op en ging uit van het graf, en hij vond de arend zittende buiten het graf.
2En de arend zei tot hem: Gegroet zijt u, Baruch, rentmeester des geloofs.
3En Baruch zei tot hem: U, o Baruch, want u zijt uitverkoren uit al de vogels des hemels; u spreekt, en uit het licht uwer ogen is het openbaar. En nu, toon mij wat u hier doet.
4En de arend zei tot hem: Ik ben hierheen gezonden, opdat u door mij alle woord dat u wilt, zoudt zenden.
5En Baruch zei tot hem: Kunt u dit woord overbrengen tot Jeremia in Babylon?
6En de arend zei: Om deze reden ben ik gezonden.
7En Baruch nam de brief en vijftien vijgen uit de mand van de vijgen die Abimelech gebracht had, en hij bond die aan den hals van den arend, en zei tot hem: Tot u zeg ik, o arend, koning van al de vogels: Ga heen in vrede en in gezondheid, en breng ons de boodschap.
8En word niet gelijk aan de raaf, die Noach uitzond, en die weigerde weer tot hem te keren; maar word gelijk aan de duif, die voor de derde keer het woord terugbracht aan den rechtvaardige.
9Zo ook u, neem dit goede woord tot Jeremia en tot degenen die met hem zijn, Israël, opdat het u wél ga; en neem deze blijde boodschap tot het volk, de uitverkorenen van God.
10En als al de vogels u omringen, en al de vijanden van de gerechtigheid, begerende u te doden, zo strijd; en de Heere zal u kracht geven.
11En wijk niet af, noch ter rechter- noch ter linkerhand, maar als een pijl die recht heengaan; ga heen in de kracht Gods, en de heerlijkheid des Heeren zal met u zijn.
12Toen vloog de arend op en ging heen naar Babylon, hebbende den brief aan zijn hals gebonden; en hij rustte op een pilaar buiten de stad, in een plaats van de woestijn, en wachtte daar totdat Jeremia zou voorbijgaan.
13En anderen van het volk, en zij gingen daar voorbij, om een man te begraven die gestorven was.
14Want Jeremia had Nebukadnezar gebeden, zeggende: Geef mij een plaats waar ik mijn volk mag begraven dat gestorven is; en hij gaf het hem.
15En terwijl zij voortgingen, en huilden over den gestorvene, kwamen zij tot waar die arend was.
16En de arend riep met luider stem, en zei: Tot u zeg ik, Jeremia, uitverkorene Gods: Ga heen en vergader al het volk, en kom herwaarts, opdat zij een brief mogen horen die ik u gebracht heb.
17En dit gehoord hebbende, verheerlijkte hij God; en meteen vergaderde hij al het volk, en hun vrouwen en hun kinderen, en zij kwamen tot waar de arend was.
18En die arend daalde neder op den dode, en hij werd levend.
19En dit deed hij, opdat zij zouden geloven.
20En al het volk verwonderde zich over wat gebeurd was, en zij zeiden: Misschien is deze de God die aan onze vaderen verscheen in de woestijn door Mozes; en hij verscheen in de gedaante van een arend, en hij verscheen ons als een grote arend.
21En de arend zei tot Jeremia, zeggende: Kom en hoor dezen brief, en lees hem voor het volk. En hij las hun dien voor.
22En toen het volk het hoorde, huilden zij allen tezamen, en zij wierpen as op hun hoofd, en zeiden tot Jeremia: Verlos ons; wat zullen wij doen, opdat wij mogen wederkeren in onze stad?
23En Jeremia stond op en zei tot hen: Doet naar al wat u uit den brief gehoord hebt, en Hij zal u teruggeven in uw stad.
24En Jeremia schreef een brief aan Baruch, zo zeggende: Mijn geliefde zoon, wees niet nalatig in het gebed, terwijl u God smeekt voor ons, opdat Hij ons legde op onze weg, totdat wij uitgaan onder het gebod van dezen goddelozen koning.
25Want u, u hebt gerechtigheid gevonden voor het aangezicht Gods, die u niet verlaten heeft. Kom niet tot ons, opdat u het kwaad niet ziet dat gedaan wordt aan het volk in Babylon.
26Gelijk een vader die één zoon heeft, en die overgegeven wordt om gestraft te worden; en degenen die bij zijn vader zijn en hem vertroosten, bedekken hun aangezicht, opdat zij zijn vader niet zien, dat hij niet vergaat in verdriet gelijk deze. Zo heeft God Zich over u ontfermd.
27En Hij heeft u niet verlaten. Kom niet tot Babylon, opdat u de benauwdheid van het volk niet ziet.
28Want van den dag af dat wij in deze stad gekomen zijn, hebben wij niet gerust tot op dezen dag, van verdriet, zesenzestig jaren; tot op vandaag.
29Want dikwijls, wanneer ik uitging, vond ik sommigen van het volk opgehangen door koning Nebukadnezar, huilend en zeggende: Ontferm U over ons, o God-Zar.
30En toen ik dit woord hoorde, was ik bedroefd, en ik huilde, wanneer zij een anderen god van de opgehangenen aanriepen, en zeiden: Ontferm U over ons.
31En ik gedacht, ik, aan het feest dat wij hielden in Jeruzalem, eer wij weggevoerd werden; en dit gedacht hebbende, keerde ik weer in mijn huis, treurende en huilend.
32En nu, smeekt onze God, waar u zijt, u en Abimelech, voor het volk, opdat zij mijn stem horen en het woord mijns monds, opdat zij uitgaan uit Perzië.
33En nu zeg ik u: Al de dagen die wij hier gewoond hebben, hebben zij ons gedwongen, zeggende: Zingt ons een nieuw gezang uit de gezangen van Sion, het gezang van uw God.
34En wij zeiden tot hen: Hoe zullen wij voor u zingen, daar wij zijn in een vreemd land? Zo geschreven hebbende, bond Jeremia zijn brief aan den hals van den arend, en zei tot hem: Ga heen in vrede, en de Heere bezoeke u.
35En de arend vloog heen en bracht den brief tot Baruch.
36En Baruch nam den brief en las hem, en hij huilde toen hij hoorde van het lijden van het volk en hun benauwdheid.
37Maar Jeremia nam die vijgen en gaf ze aan de kranken die onder het volk waren, en hij bleef hen onderrichten, opdat zij zich onthouden zouden van de werken van het volk van Babylon.