4 Baruch 9
Lees 4 Baruch 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En zij bleven zich verheugen en offerden zeven dagen voor het volk.
2En op de tiende dag, nadat dit gebeurd was, bracht Jeremia alleen het offer op.
3En Jeremia bad, zeggende: Heilig, heilig, heilig zijt U, zoete geur voor de mensen, en waarachtig licht dat mij verlicht, totdat ik voor U kom.
4Voor Uw aangezicht smeek ik U vanwege Uw volk, en ik bid U om de zoete stem van de serafim, en vanwege de geur van het reukwerk van de cherubim smeek ik U.
5Ja, o zanger Michaël, engel van de gerechtigheid is hij, die de poorten van de gerechtigheid opent, totdat zij daarin ingaan.
6Ik smeek U, Heere van allen en Heere die alles bevat en die alles geschapen heeft, het zichtbare en het ongeborene, die alles voltooid heeft; en de hele schepping was verborgen bij Hem, eer zij in het verborgen gemaakt werden.
7En toen hij dit gebeden had en zijn gebed voleindigd had, stond Jeremia in het huis des heiligdoms, en met hem Baruch en Abimelech; en Jeremia werd als een mens van wie de ziel geweken was.
8En meteen vielen Baruch en Abimelech neder en riepen met luider stem en zeiden: Wee ons! Onze vader Jeremia, de priester Gods, is van ons heengegaan.
9En toen het volk dit hoorde, liepen zij tot hem toe, en vonden Jeremia nedergevallen en dood.
10En zij huilden en scheurden hun kleren en wierpen as op hun hoofd en huilden een bittere weeklacht.
11En daarna maakten zij zich gereed om hem te begraven.
12Toen kwam er een stem, zeggende: Begraaft niet degene die nog leeft, want zijn ziel keert opnieuw in zijn lichaam.
13En toen zij deze stem hoorden, begroeven zij hem niet, maar zij bleven bij hem waken, rondom hem, drie dagen, totdat zijn ziel in zijn lichaam wederkeren zou.
14En er kwam een stem in het midden van hen allen, en hij zei: Looft Hem met eenparige stem, looft God! En u allen, looft de Messias, de Zoon Gods, die u opwekt en over u regeren zal, Jezus, de Zoon Gods, het licht voor de hele wereld, en de lamp die niet uitgeblust wordt, en het leven des geloofs.
15En het zal gebeuren, dat na deze dagen er nog vierhonderdzevenenzeventig jaren zijn zullen tot aan zijn komst op de aarde.
16De boom des levens, die in het paradijs is en niet geplant werd, zal alle bomen die vrucht voortbrengen en die dor zijn, doen tot Hem komen; en Hij zal maken dat zij vrucht dragen en uitspruiten, en hun vrucht zal met de engelen blijven.
17En aangaande het planten van de bomen, opdat zij groenen en gedijen: wij geven de dauw des morgens aan de lucht, opdat hun wortels niet verdorren gelijk een plant die geen wortel in de aarde gevat heeft.
18En wat rood is zal wit worden gelijk wol; en het zoete water zal bitter worden, en het bittere zoet, in de grote blijdschap en de vreugde Gods voor de eilanden, opdat zij vrucht voortbrengen door het woord van Zijn mond, Zijn eigen Zoon.
19En Hijzelf zal in de wereld ingaan, en Hij zal voor Zich twaalf apostelen verkiezen, opdat zij zich vertonen; die ik gezien heb, versierd, uitgezonden van bij Zijn Vader, die in de wereld komt.
20En op de Olijfberg zal Hij treden, en Hij zal de hongerige ziel verzadigen. En zo sprak Jeremia aangaande de Zoon Gods, dat Hij in de wereld komen zou.
21En toen het volk dit hoorde, ontstaken zij in toorn hierover, en zeiden: Dit zijn de woorden van Jesaja, de zoon van Amos, die zei: Ik heb God gezien en de Zoon Gods.
22Staat op, laat ons met hem doen gelijk wij met Jesaja gedaan hebben. En sommigen van hen zeiden: Nee, maar laat ons hem met stenen stenigen.
23En Baruch en Abimelech riepen tot hen, zeggende: In deze dood, doodt hem niet! En Baruch en Abimelech waren bedroefd vanwege Jeremia, en bovendien lieten zij niet af, opdat hij hun de verborgen dingen zou verkondigen die hij gezien had.
24En Jeremia zei tot hen: Zwijgt en weent niet, want zij kunnen mij niet doden, totdat ik u alles verkondigd heb wat ik gezien heb.
25Brengt mij een steen, en zij brachten hem een steen.
26En hij richtte hem op en zei: Eeuwig licht, maak deze steen, dat hij worde naar de gedaante van een mens. En meteen werd de steen naar de gedaante van Jeremia, hem gelijkende.
27En zij begonnen de steen te stenigen, terwijl hij hun toescheen Jeremia te zijn.
28En Jeremia verkondigde aan Baruch en aan Abimelech al de verborgen dingen die hij gezien had.
29En daarna, toen hij het hun voleindigd had te verkondigen, ging hij en stond in het midden van het volk, begerende zijn dienst te volbrengen.
30En meteen riep die steen tot hen en zei: O u dwazen, kinderen van Israël, waarom stenigt u mij, terwijl u mij aanziet voor Jeremia? Zie, Jeremia staat in uw midden!
31En toen zij hem zagen, liepen zij op hem toe met vele stenen, en zij volbrachten aan hem het verraad, en zijn dienst werd volbracht.
32En zij begroeven hem, en zij namen die steen en legden hem in zijn graf, en zij maakten hem als een deur, en schreven daarop, zeggende: Zie, deze is de helper van Jeremia.