Bijbel4 Ezra

4 Ezra 1

Lees 4 Ezra 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Ezra krijgt van God de opdracht het volk hun zonden voor te houden, 24 en hen te dreigen dat God hen daarom zal verstoten en straffen, 35 en een ander volk in hun plaats zal aannemen, 39 dat de aartsvaders en profeten tot leiders zal hebben.

1HET tweede boek van de profeet Ezra, de zoon van Barajas, de zoon van Azaria, de zoon van Helkia, de zoon van Sadania, de zoon van Zadok, de zoon van Ahitob,

2De zoon van Amaria, de zoon van Hasaria, de zoon van Merasoth, de zoon van Sarchias, de zoon van Hazzi, de zoon van Bukki, de zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar;

3De zoon van Aäron, uit de stam van Levi: die Ezra een gevangene geweest is in het land van de Meden, onder het koninkrijk van Artaxerxes, de koning van de Perzen.

4En het woord van de Heere kwam tot mij en sprak:

5Ga heen en verkondig Mijn volk hun boosheden, en hun kinderen hun ongerechtigheden, die zij tegen Mij hebben begaan, dat zij het hun kleinkinderen verkondigen;

6Omdat de zonden van hun vaders in hen zijn gewassen, want zij hebben Mij vergeten, en hebben andere goden geofferd.

7Heb Ik hen niet geleid uit het land van Egypte, uit het huis van de dienstbaarheid? Zij daarentegen hebben Mij tot toorn verwekt, en hebben Mijn raad veracht.

8Maar schud u het haar van uw hoofd af, en werp al het kwaad op hen, omdat zij Mijn wet niet gehoorzaam zijn geweest; want het is een volk, dat zich niet laat tuchtigen.

9Hoe lang zal Ik hen verdragen, die Ik zo grote weldaden bewezen heb?

10Ik heb vele koningen om hunnentwil uitgeroeid; Ik heb Farao met zijn knechten, en zijn hele leger geslagen.

11Ik heb alle heidenen van voor hun aangezicht vernietigd; en in het oosten heb Ik de volken van twee provinciën, van Tyrus namelijk en van Sidon, verstrooid, en al hun vijanden heb Ik omgebracht.

12Spreek dan tot hen, zeggende: Zo spreekt de Heere;

13Ik heb u door de zee geleid, en in de beginne heb Ik u vaste straten gemaakt. Mozes heb Ik u tot een leidsman gegeven, en Aäron tot een priester.

14Ik heb u licht gegeven door een vuurkolom, en heb grote wonderen onder u gedaan; maar u hebt Mij vergeten, spreekt de Heere.

15Dit zegt de almachtige Heere: De kwakkel is u tot een teken geweest; het leger heb Ik u gegeven tot een bescherming, en daar hebt u gemurmureerd;

16En hebt niet getriumfeerd in Mijn naam over de vernietiging van uw vijanden, maar nog tot nu toe hebt u gemurmureerd.

17Waar zijn de weldaden die Ik u bewezen heb? Heb u niet in de woestijn, toen u hongerde, tot Mij geroepen, zeggende:

18Waarom hebt u ons in deze woestijn gebracht, om ons te doden? het was ons beter geweest de Egyptenaars te dienen, dan in deze woestijn te sterven.

19Toen had Ik medelijden met uw zuchten, en heb u manna tot voedsel gegeven; u hebt van de engelen brood gegeten.

20Heb Ik niet, als u dorstte, de rots opengehouwen? en de wateren zijn daaruit gevloten tot verzadiging; voor de hitte heb Ik u met bladeren van de bomen gedekt.

21Ik heb onder u vette landen uitgedeeld; de Kanaänieten, Feresieten, en Filistijn heb Ik van voor uw aangezicht uitgedreven. Wat zou Ik nog meer doen? spreekt de Heere.

22Dit zegt de almachtige Heere: Toen u in de woestijn was, aan de rivier van de Amorieën, en dorst had, en u Mijn naam lasterde,

23Zo heb Ik u geen vuur om uw lastering gegeven, maar Ik legde hout in het water, dat u het water zoet maakte.

24Wat zal Ik u doen Jakob? U hebt niet willen gehoorzamen, Juda. Ik zal Mij tot andere volken keren, en zal hun Mijn naam geven, opdat zij Mijn voorschriften houden.

25Omdat u Mij verlaten hebt, zo zal Ik u ook verlaten; als u genade van Mij zult begeren, zo zal Ik u niet genadig zijn.

26Wanneer u Mij zult aanroepen, zo zal Ik u niet verhoren, want u hebt uw handen met bloed bevlekt, en uw voeten zijn snel om doodslagen te begaan.

27U hebt Mij niet verlaten, maar u zelf, spreekt de Heere.

28Dit zegt de almachtige Heere: Heb Ik u niet gebeden als een vader zijn zonen, en als een moeder haar dochters, en als een voedster haar kleine kinderen?

29Dat u Mij tot een volk zou zijn, en Ik zou u tot een God zijn; en dat u Mij tot kinderen zou zijn, en Ik zou u tot een vader zijn?

30Ik heb u zo verzameld, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt. Nu dan, wat zal Ik u doen? Ik zal u van Mijn aangezicht verwerpen.

31Wanneer u Mij offergaven zult voortbrengen, zo zal Ik Mijn aangezicht van u keren; want uw feestdagen, en nieuwe maanden, en besnijdingen heb Ik verworpen.

32Ik heb Mijn knechten de profeten tot u gezonden die u genomen en gedood hebt, en hun lichamen hebt u verscheurd; waarvan Ik het bloed van u zal eisen, spreekt de Heere.

33Dit zegt de almachtige Heere: Uw huis is woest, Ik zal u verwerpen, zoals de wind de stoppelen.

34Uw kinderen zullen niet vruchtbaar zijn, want zij hebben Mijn gebod niet geacht, en hebben kwaad voor Mij gedaan.

35Ik zal uw huizen overgeven aan een volk dat nog komen zal. Die Mij niet gehoord hebben, zullen geloven, en wie Ik geen tekenen getoond heb, die zullen doen wat Ik bevolen heb.

36Zij hebben geen profeten gezien, en zullen toch hun zonden bekennen.

37Ik betuig van de genade van het komende volk, van wie de kleine kinderen zich met blijdschap verheugen, die Mij met de lichamelijke ogen wel niet zien, maar in de geest geloven wat Ik gezegd heb.

38En nu, broer, aanschouw wat heerlijkheid dit is; en zie het volk dat van de opgang aankomt.

39Aan dit volk zal Ik tot leidslieden geven Abraham, Izaäk, en Jakob, en Hosea, en Amos, en Micha, en Joël, en Obadja, en Jona,

40En Nahum, en Habakuk, Zefanja, Haggai, Zacharia, en Maleachi, die ook de engel van de Heere genoemd is.