4 Ezra 10
Lees 4 Ezra 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Hij troost de vrouw in het veld en beklaagt de ellende van Sion. 27 Zij verdwijnt, en een stad verschijnt in haar plaats. 29 De engel troost hem en verklaart hem het visioen dat hij in het veld gezien had.
1EN het is gebeurd, toen mijn zoon in zijn slaapkamer ging, dat hij neergevallen en gestorven is.
2En wij hebben al de lichten omgekeerd, en al mijn medeburgers zijn opgestaan om mij te troosten, en ik hield mij stil tot de andere dag toe, tegen de nacht,
3En toen zij allen ophielden mij te troosten, opdat ik zou rusten, zo ben ik in de nacht opgestaan, en weggevlucht, en ben in dit veld gekomen, zoals u ziet,
4En ik heb voorgenomen niet weer in de stad te komen, maar hier te blijven, en niet te eten noch te drinken, en zonder ophouden te treuren en te vasten voordat ik sterf.
5Toen liet ik mijn redenen, waarin ik bezig was, varen, en sprak met toorn tot haar, en zei:
6U, dwaze boven alle vrouwen, ziet u ons treuren niet? en wat ons ontmoet?
7Want Sion onze moeder is met allerlei verdriet bedroefd, en met nederheid vernederd, en is geheel zeer treurig.
8En nu, waar wij allen treuren en droevig zijn, daar wij allen bedroefd zijn, zo treurt u alleen over een zoon.
9Want vraagt het de aarde, zo zal zij u zeggen, dat zij is degene, die de ondergang moet betreuren van zo velen, die op haar groeien.
10En uit haar zijn van de beginne alle mensen geboren, en zullen ook de anderen komen, en zie zij wandelen bijna allen ten verderve, en hun menigte is tot uitroeiing.
11Wie zal dan meer moeten treuren dan deze, die zo groot een menigte verloren heeft, daar u maar over één zo droevig bent.
12Als u nu tot mij zegt: Mijn treuren is niet aan dat van de aarde gelijk; want ik heb de vrucht van mijn lijf verloren, die ik met smarten gebaard en met verdriet voortgebracht heb,
13Maar de aarde doet naar de wijze van de aarde, en de tegenwoordige menigte keert weer in haar, zoals zij daaruit gekomen is.
14Zo zeg ik u, zoals u met smarten gebaard hebt, zo geeft de aarde ook haar vrucht de mens, die haar van de beginne gebouwd heeft.
15Nu dan behoud voor uzelf uw verdriet, en draag kloekmoedig het ongeval dat u overkomen is.
16Want zo u de bepalingen Gods rechtvaardigt, en Zijn raad intijds aanneemt, zo zult u ook in zulke zaken geprezen worden.
17Ga dan weer naar de stad tot uw man.
18En zij zei tot mij: Ik zal dat niet doen, ik zal niet in de stad gaan, maar hier zal ik sterven.
19Toen sprak ik verder met haar en zei:
20Doe zo niet als u zegt, maar volg de raad, die u gegeven wordt, want wat zijn er al ongevallen Sions! Troost u dan om de bedroefdheid van Jeruzalem.
21Want u ziet dat ons heiligdom woest geworden is, ons altaar verbroken, en onze tempel verstoord,
22Ons snarenspel ligt daar neer, en de lofzang zwijgt stil, en onze vreugde is teniet, en het licht van onze kandelaar is uitgeblust, en de ark van ons verbond is genomen, en onze heilige plaatsen zijn bevlekt, en de naam die over ons aangeroepen wordt is bijna ontheiligd, en onze kinderen hebben smaad geleden, en onze priesters zijn verbrand, en onze Levieten zijn in gevangenis gegaan, en onze maagden zijn geschonden, en onze vrouwen hebben geweld geleden, en onze rechtvaardigen zijn weggerukt, en onze kleine kinderen zijn verloren, en onze jongemannen zijn dienstbaar geworden, en onze sterke mannen zijn zwak geworden.
23En wat het allerergste is: Het zegel Sions is van zijn heerlijkheid opgelost, want zij is ook overgegeven in handen van degenen die haar haten.
24Doe dan uw grote verdriet van u, en leg de veelheid van uw smarten af, opdat de sterke God u genadig zij, en de Allerhoogste zal u rust geven van uw arbeid.
25En het is gebeurd, toen ik met haar sprak, dat haar aangezicht en gedaante haastig blinkende werd, en haar gezicht werd glinsterend, zodat ik voor haar vreesde, en dacht wat dat zijn mocht.
26En ziet, zij gaf haastig groot geluid van een stem van zich, vol vreselijkheid, zodat de aarde beefde van de stem van de vrouw.
27En ik zag op, en ziet, de vrouw verscheen mij niet meer, maar er werd een stad gebouwd, en een plaats werd vertoond van grote fundamenten, en ik verschrikte, en ik riep met luide stem, en zei:
28Waar is Uriël de engel, die van de beginne tot mij gekomen is? Want hij heeft gemaakt, dat ik door vele gedachten tot deze verrukking van zinnen gekomen ben, en mijn einde is geworden tot verderfenis, en mijn gebed tot smaad.
29En als ik dit gesproken had, ziet, zo kwam hij tot mij en zag mij.
30En ik lag als een dode, en mijn verstand was mij benomen, en hij nam mij bij de rechterhand, en sterkte mij, en stelde mij op mijn benen, en zei tot mij:
31Wat is u, en waarom is uw verstand ontroerd, en het gevoelen van uw hart, en waarom wordt u ontroerd?
32En ik zei: Omdat u mij verlaten hebt; want ik heb naar uw redenen gedaan, en ben in het veld uitgegaan; en ziet, ik heb gezien, en zie nog, wat ik niet kan verhalen.
33En hij zei tot mij: Sta als een man, en ik zal u onderrichten. En ik zei:
34Spreek, mijn Heere, tot mij, en verlaat mij niet, opdat ik niet zonder oorzaak sterve.
35Want ik heb gezien wat ik niet wist, en ik hoorde wat ik niet weet.
36Of worden mijn zinnen bedrogen, en droomt mijn ziel?
37Nu dan, zo bid ik u, dat u uw knecht toont wat deze verrukking van zinnen is. En hij antwoordde mij, en zei:
38Hoor mij, en ik zal u onderrichten, en ik zal u zeggen de dingen waarvoor u vreest, want de Allerhoogste heeft u vele geheimen geopenbaard.
39Hij heeft gezien dat uw weg recht is, want u was zonder ophouden beroerd over uw volk, en was zeer treurig over Sion.
40Dit is dan de betekenis van het visioen, dat u een weinig tevoren verschenen is:
41De vrouw, die u hebt zien treuren, bent u begonnen te troosten,
42En nu ziet u de gestalte van de vrouw niet meer; maar het heeft u geschenen, dat een stad gebouwd werd.
43En dat zij u van het ongeval van haar zoon een verhaal gedaan heeft, is dit de verklaring:
44Deze vrouw, die u gezien hebt is Sion, die u ook, als zij u gezegd heeft, nu zult zien als een gebouwde stad.
45En dat zij u gezegd heeft, dat zij dertig jaren onvruchtbaar is geweest, dit is omdat het dertig jaren zijn geweest, dat nog geen offergave daarin was geofferd.
46En het is gebeurd, dat Salomo na dertig jaren de stad heeft gebouwd en offergaven heeft geofferd, toen is het gebeurd dat de onvruchtbare een zoon gebaard heeft.
47En dat zij u gezegd heeft, dat zij met hem arbeid heeft opgebracht, dit was de woning binnen Jeruzalem.
48En dat zij u gezegd heeft, dat haar zoon komende in zijn slaapkamer gestorven is, en neergevallen; dit is de val, die Jeruzalem is overkomen.
49En zie, u hebt haar gedaante gezien, en omdat zij om haar zoon treurde, bent u begonnen haar te troosten, en van deze dingen die gebeurd zijn, moest u dit geopenbaard worden.
50En nu ziet de Allerhoogste, dat u van harte bedroefd bent, en omdat u met heel uw hart bezorgd bent over haar, zo heeft Hij u de klaarheid van haar heerlijkheid getoond, en de schoonheid van haar versiersel.
51Want daarom heb ik u gezegd, dat u in een veld zou blijven, waar geen huis was gebouwd.
52Want ik wist, dat de Allerhoogste u dit zou beginnen te vertonen;
53Daarom heb ik u gezegd, dat u in een veld zou komen, waar geen fundament van enig gebouw was.
54Want in die plaats kon ook geen werk van het gebouw van een mens verdragen worden, waar de stad van de Allerhoogste zou beginnen vertoond te worden.
55Daarom dan, vrees niet, en uw hart zij niet verschrikt, maar ga heen en zie de heerlijkheid en grootte van het gebouw, voor zoveel het gezicht van uw ogen kan vatten om te zien.
56En daarna zult u horen, zoveel het gehoor van uw oren zal vatten om te horen.
57Want u bent gelukzalig boven vele anderen, en u bent geroepen tot de Allerhoogste, zoals er weinigen geroepen zijn.
58De nacht nu die morgen wezen zal, zult u hier blijven.
59En de Allerhoogste zal u die visioenen van de hoogste dingen tonen, die de Allerhoogste zal doen aan hen die op aarde in de laatste dagen wonen.
60En ik sliep die nacht, en de volgende, zoals hij mij gezegd had.