Bijbel4 Ezra

4 Ezra 12

Lees 4 Ezra 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De arend die hij zag, wordt vernietigd, 10 en dit visioen wordt hem uitgelegd, 37 en hem wordt opgedragen het op te schrijven. 39 Hij vast om nog meer te zien, 46 en troost hen die bedroefd waren over zijn afwezigheid.

1EN het is gebeurd toen de leeuw deze woorden sprak tot de adelaar, dat ik zag,

2En ziet, het hoofd dat nog over was, maar de vier vleugels, die tot hetzelfde overgegaan waren, en zich opgericht hadden om te heersen, verschenen niet meer, en hun rijk was zeer klein en vol oproer.

3En ik zag, en ziet, zij kwamen niet meer te voorschijn, en het hele lichaam van de arend werd brandende, en de aarde verschrikte zeer, en ik ontwaakte vanwege het grote gewoel en de grote vrees uit de verdrukking van mijn zinnen, en ik zei tot mijn geest:

4Zie, u hebt mij dit gedaan, daarmee dat u de wegen van de Allerhoogste onderzoekt.

5Zie, ik ben nog vermoeid in mijn gemoed, en ik ben zeer zwak in mijn geest, en daar is geen kracht meer in mij, vanwege de grote vrees, waarmee ik deze nacht verschrikt ben geweest.

6Nu dan, ik zal de Allerhoogste bidden, dat Hij mij versterke tot het einde.

7En ik zei: O heersende Heere, als ik genade in Uw ogen gevonden heb, en als ik gerechtvaardigd ben bij U voor vele anderen, en als mijn gebed werkelijk voor Uw aangezicht opgekomen is,

8Zo versterk mij, en toon mij, Uw knecht, de verklaring en onderscheiding van dit gruwzaam visioen, opdat U mijn ziel ten volle mag troosten.

9Want U hebt mij waard geacht, dat U mij het laatste van de tijden zult vertonen.

10En hij zei tot mij: Dit is de verklaring van dit visioen:

11De adelaar, die u hebt zien opkomen van de zee, is het rijk, dat in een visioen gezien is door uw broer Daniël;

12Maar het is hem niet verklaard, maar nu verklaar ik het u.

13Zie de dagen komen, dat een rijk op aarde zal opstaan, en het zal vreselijker zijn dan al de rijken, die daarvoor geweest zijn.

14In hetzelfde nu zullen twaalf koningen heersen, de één na de ander.

15Want de tweede zal beginnen te heersen, en zal het meer tijds houden dan de andere twaalf.

16Dit is de verklaring van de twaalf vleugels, die u gezien hebt.

17En wat betreft de stem die gesproken heeft, en die u gehoord hebt, uitgaande niet uit zijn hoofden, maar uit het midden van zijn lichaam.

18Dit is de verklaring, namelijk dat na de tijd van dit rijk geen kleine twisten zullen ontstaan en het zal in gevaar staan van te vallen, maar het zal dan niet vallen, maar zal weer in zijn eerste stand worden gesteld.

19En dat u gezien hebt acht onderste vleugels, die vast waren aan zijn vleugels.

20Daarvan is de verklaring: Daar zullen in dit rijk acht koningen opstaan, van wie de tijden kort en jaren snel zijn zullen, en twee van die zullen vergaan.

21Maar wanneer het midden van de tijd zal naderen, zo zullen de vier behouden worden in die tijd, als zijn einde zal beginnen te naderen, maar de twee zullen tot het einde toe behouden worden.

22En dat u hebt gezien drie hoofden die rustten.

23Daarvan is dit de verklaring: Aan het einde van dit rijk zal de Allerhoogste drie rijken verwekken, en zal vele dingen daarin wederroepen, en zij zullen over de aarde zelf heersen,

24En over degenen, die daarin wonen; en dat met veel moeite boven allen die voor hen geweest zijn; daarom zijn deze de hoofden van de arend genoemd.

25Want het zijn die, die zijn goddeloosheid samen zullen te voorschijn brengen, en deze tot het uiterste toe zullen volbrengen.

26En dat u gezien hebt, dat het grootste hoofd niet meer verscheen, dit is zijn verklaring, namelijk dat één van hen op zijn bed zal sterven, en toch met smarten.

27Maar de twee, die overgebleven zullen zijn, zal het zwaard verslinden.

28Want het zwaard van de ene zal verslinden hem die met hem is, maar toch zal hij ook ten laatste door het zwaard vallen.

29En dat u gezien hebt twee veren, die van onder de vleugels over het hoofd gingen, dat aan de rechterzijde was,

30Daarvan is dit de verklaring: Deze zijn het die de Allerhoogste behouden heeft tot op het einde, dit is een klein rijk, en vol oproer.

31Zoals u ook een leeuw gezien hebt, die u zag uit het bos ontwaken, en brullen, en spreken, tot de adelaar, en hem bestraffen, en zijn ongerechtigheid, door al zijn redenen die u gehoord hebt.

32Deze is de wind, die de Allerhoogste tot het einde toe behouden heeft, tegen hen en hun goddeloosheid, en Hij zal hen bestraffen, en Hij zal over henzelf hun verscheuring brengen.

33Want hij zal hen levend voor het gericht stellen, en het zal gebeuren, als hij hen zal overtuigd hebben, dat hij hen zal straffen.

34Want hij zal mijn overgebleven volk verlossen van de ellende, namelijk die op mijn grenzen zullen ontkomen zijn, en hij zal hen vrolijk maken totdat het einde en de dag van het oordeel komen zal, waarvan ik u in het begin gesproken heb.

35Dit is de droom, die u gezien hebt, en dit zijn de verklaringen.

36U dan bent alleen waard geacht, om dit geheim van de Allerhoogste te weten.

37Daarom schrijf al deze dingen, die u gezien hebt, in een boek, en leg dat in een verborgen plaats.

38En u zult ze de verstandigen onder uw volk leren, namelijk van wie de harten u weet dat deze geheimen kunnen vatten en behouden.

39Maar wacht hier nog andere zeven dagen, opdat u vertoond wordt wat de Allerhoogste goeddunken zal u te vertonen.

40En hij is van mij zo vertrokken. En als al het volk gehoord had, dat de zeven dagen voorbij waren, en dat ik in de stad niet was teruggekeerd, zo zijn zij allen van de minste tot de meeste verzameld, en zij zijn tot mij gekomen, en spraken tot mij, zeggende:

41Wat hebben wij u misdaan, of wat onrecht hebben wij u gedaan, dat u ons verlaat, en aan deze plaats blijft zitten?

42Want u bent alleen voor ons over uit alle volken als een druiftak van de wijngaard, en als een kaars in een duistere plaats, en als een haven, en een schip, dat uit het onweer ontkomen is.

43Of zijn ons de zwarigheden niet genoegzaam, die ons overkomen?

44Als u ons dan verlaat, hoe veel beter was het ons, dat wij ook met de brand Sions verbrand waren?

45Want wij zijn niet beter dan degenen, die daar gestorven zijn; en zij huilden met luide stem.

46Toen antwoordde ik hen en zei: Heb goede moed Israël! en wees niet bedroefd, u huis van Jakob!

47Want de Allerhoogste gedenkt u, en de Almachtige heeft u niet vergeten in de verzoeking.

48En ik heb u niet verlaten, en ben uit u niet geweken, maar ik ben in deze plaats gekomen, opdat ik zou bidden voor de verwoesting Sions, en opdat ik barmhartigheid zocht voor de vernedering van uw heiligdom.

49En nu, zo ga een ieder van u in zijn huis, en ik zal na die dagen tot u komen.

50En het volk is naar de stad vertrokken, zoals ik hun gezegd had.

51Maar ik zat nog zeven dagen in het veld, zoals hij mij bevolen had, en ik at alleen van de bloemen van de akker, en uit de kruiden is mij voedsel geworden in die dagen.