Bijbel4 Ezra

4 Ezra 13

Lees 4 Ezra 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Hij ziet in een droom een man uit de zee komen, die door velen werd bestreden, 10 maar hij doodt hen door de adem van zijn mond, 25 uitleg van deze droom. 54 Hij wordt geprezen, en hem wordt beloofd dat hij nog meer zal zien.

1EN het gebeurde na zeven dagen, dat ik in de nacht een droom droomde:

2En ziet, daar stond een wind op van de zee, die al haar golven bewoog.

3En ik zag, en ziet, een man werd gesterkt met de duizenden van de hemel, en waar hij zijn aangezicht keerde om op te merken, daar verschrikte alles wat onder hem gezien werd.

4En waarheen zijn stem uit zijn mond ging, daar ontbrandden allen die daar hoorden, zoals de aarde in stilte is, wanneer zij het vuur gevoelt.

5En daarna zag ik, en zie, daar verzamelde zich een menigte van mensen, die men niet tellen kon, van de vier winden van de hemel, opdat zij die man zouden bevechten, die van de zee was opgekomen.

6En ik zag, en ziet, hij had zichzelf een grote berg uitgesneden, en hij vloog daarop.

7En ik zocht de landstreek of plaats te zien, waaruit de berg uitgesneden was, maar ik kon niet.

8En daarna zag ik, en ziet, allen die samen verzameld waren tegen hem, om hem te bestrijden, waren zeer bevreesd, en toch bestonden zij te strijden.

9En zie, zodra als hij het geweld van de aankomende menigte zag, zo hief hij zijn hand niet op, en hield geen zwaard noch enig krijgsgeweer, maar alleen zag ik dit,

10Dat hij uit zijn mond liet gaan als een vurige wind, en uit zijn lippen een vlammende adem, en van zijn tong liet hij uitgaan vonken en onweer, en deze allen zijn samen vermengd geworden, namelijk de vurige wind, en de vlammende adem, en het grote onweer.

11En het viel met geweld over de menigte, die bereid was om te strijden, en verbrandde hen allen, zodat van de ontelbare menigte weldra niets werd gezien, dan alleen stof, en sterk riekende rook; en ik zag het, en werd verschrikt.

12En daarna zag ik de mens zelf van de berg afkomen, en een andere menigte van vreedzaam volk tot zich roepen.

13En daar kwamen vele mensen tot hem, sommigen met een vrolijk aangezicht, sommigen droevig; maar sommigen gebonden, en sommigen leidende hen uit die zouden geofferd worden, en ik werd ziek van grote verschrikking, en ontwaakte en zei:

14U hebt van de beginne uw dienaar deze wonderen getoond, en u hebt mij waard geacht, dat u mijn gebed zou aannemen,

15Zo toon mij dan nu nog de verklaring van deze droom.

16Want zo ik acht in mijn gemoed, wee degenen, die overgelaten zijn geweest in die dagen; en veel meer, wee degenen, die niet zijn overgelaten geweest.

17Want die niet overgelaten zijn geweest, die waren treurig.

18Ik versta nu de dingen die weggelegd zijn tot op de laatste dagen, en wat deze overkomen zal, en ook degenen die overgelaten zijn.

19Want daarom zijn zij in groot gevaar en veel nood gekomen, zoals deze dromen uitwijzen.

20Maar toch, is het verdragelijker dat men hierin kome met gevaar, en nu zie de dingen die in het laatste gebeuren zullen, dan dat men door de wereld ga als een wolk. En hij antwoordde en zei tot mij:

21Ik zal u ook de verklaring van dit visioen zeggen, en zal u openbaren waarvan u gesproken hebt.

22Dat u van deze gezegd hebt, die overgelaten zijn, daarvan is dit de verklaring:

23Die het gevaar gedragen zal hebben in die tijd, die zal zichzelf hier bewaard hebben; die in het gevaar gevallen zijn, deze zijn het die de werken hebben, en het geloof in de Almachtige.

24Zo weet dan, dat die zaliger zullen zijn die overgelaten zijn, dan die gestorven zijn.

25Dit zijn de verklaringen van dit visioen: Dat u hebt gezien een man opklimmend uit het midden van de zee.

26Deze is het, die de Allerhoogste nu vele tijden bewaart, die door zichzelf zijn schepsel zal verlossen, en Hij zal tot orde brengen degenen, die overgelaten zijn.

27En dat u uit zijn mond hebt zien gaan als een wind, en vuur, en onweer.

28En dat hij geen zwaard hield, noch enig krijgsgeweer, en zijn geweld toch verdierf de hele menigte die gekomen was om hem te bestrijden, daarvan is dit de verklaring:

29Zie, de dagen komen, wanneer de Allerhoogste zal beginnen te verlossen degenen, die op aarde zijn.

30En hij zal in een verrukking van zinnen komen over degenen, die de aarde bewonen.

31En de één zal de ander willen bestrijden, de ene stad de andere, en het ene volk zal tegen het andere zijn, en het ene rijk tegen het andere.

32En als deze dingen gebeuren, en de tekenen gebeuren, die ik u tevoren getoond heb, dan zal mijn Zoon geopenbaard worden die u als een man hebt zien opkomen.

33En wanneer alle volken zijn stem zullen horen, zo zal een ieder in zijn land zijn strijd, die hij tegen de andere had, laten varen.

34En een ontelbare menigte zal zich bijeen verzamelen, alsof zij wilden komen en hem bestrijden.

35Maar hij zal staan op de spits van de berg Sion.

36Sion nu zal komen, en het zal bereid en opgebouwd aan allen vertoond worden, zoals u gezien hebt, dat de berg zonder handen werd uitgehouwen.

37Maar deze mijn Zoon zal de dingen bestraffen, die de volken uitgevonden hebben, namelijk deze hun goddeloosheden, die het onweer nabij komen vanwege hun kwade gedachten, en pijnigingen, waarmee zij zullen beginnen gepijnigd te worden,

38Die met de vlam worden vergeleken; en hij zal hen verderven zonder arbeid, door de wet, die met vuur wordt vergeleken.

39En dat u gezien hebt, dat hij een andere vreedzame menigte tot zich verzameld heeft;

40Deze zijn de tien stammen, die uit hun land gevangen zijn genomen in de dagen van de koning Hosea, die Salmanasser de koning van de Assyriërs als gevangenen weggevoerd heeft, en heeft hen over de rivier gevoerd, en zij zijn overgebracht in een ander land.

41Maar zij besloten, dat zij de menigte van de heidenen zouden verlaten, en in een verder land vertrekken, waar geen menselijk geslacht ooit tevoren gewoond had.

42Daar wilden zij hun rechten onderhouden, die zij in hun land niet gehouden hadden.

43Zij zijn dan daarin getogen door de nauwe ingangen van de rivier Eufraat.

44Want de Allerhoogste deed hun toen tekenen, en hield de aderen van de rivier op, totdat zij daarover gegaan zijn.

45Want door dat land was een weg van een lange reis van anderhalf jaar, daarom wordt die landstreek Assareth genoemd.

46Toen hebben zij daarin gewoond tot de laatste tijd; en als zij nu weer zullen beginnen te komen,

47Zo zal de Allerhoogste weer de aderen van de rivier ophouden, opdat zij daarover gaan mogen; daarom hebt u deze menigte vreedzaam gezien.

48Maar die overgelaten zijn van uw volk, zijn deze, die binnen mijn gebied gevonden worden.

49Het zal dan gebeuren, wanneer hij zal beginnen te verderven de menigte van degenen, die uit de volken verzameld zijn, dat hij zal beschermen het volk dat overgebleven is.

50En dan zal hij hun vele wondertekenen tonen.

51Toen zei ik: O heersende Heere, toon mij toch dit, waarom ik gezien heb, dat de man van het midden van de zee opkwam. En hij zei tot mij:

52Zoals u de dingen niet kon doorgronden noch weten, die in de diepte van de zee zijn, zo zal niemand op de aarde kunnen zien mijn Zoon, of degenen, die bij hem zijn, dan op die dag.

53Dit is de verklaring van de droom, die u gezien hebt, en om wie de wil u alleen hier verlicht bent.

54Want u hebt uw eigen wet verlaten, en hebt u met mijn wet beziggehouden, en hebt die gezocht.

55U hebt uw leven gericht door wijsheid, en hebt verstand uw moeder genoemd.

56En daarom heb ik u getoond de schatten die bij de Allerhoogste zijn, en na drie andere dagen zal ik nog andere dingen tot u spreken, en ik zal u zware en wonderlijke zaken verklaren.

57Toen ben ik in het veld heengegaan, de Allerhoogste zeer lovende en prijzende, vanwege de wonderen die Hij van tijd tot tijd deed;

58En dat hij de tijd, met wat in de tijden teweeggebracht werd, regeert. En ik zat daar drie dagen.