Bijbel4 Ezra

4 Ezra 14

Lees 4 Ezra 14 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Er komt een stem uit het bos tot Ezra, 10 en die verhaalt hem dat de wereld oud wordt, 15 en dat de laatste tijden erger zullen zijn dan de eerste. 22 Hij verzoekt dat hij de wet, die verbrand was, opnieuw zou mogen opschrijven, 23 wat door hem gedaan wordt in veertig dagen door vijf schrijvers, 37 nadat hij door het drinken van zeker water met wijsheid vervuld was. 45 En hem wordt opgedragen niet alles aan iedereen te openbaren wat geschreven was.

1EN het gebeurde op de derde dag, dat ik zat onder een eik.

2En zie een stem kwam tegen mij uit van het doornbos, en zei: Ezra, Ezra! En ik zei: Zie hier ben ik Heere, en ik stond op, op mijn voeten, en Hij zei tot mij:

3In het doornbos ben Ik Mozes verschenen, en heb met hem gesproken, als Mijn volk in Egypte dienstbaar was.

4En Ik heb hem gezonden, en heb Mijn volk uit Egypte geleid, en heb hem gebracht op de berg Sinaï, en daar hield Ik hem bij Mij vele dagen.

5En Ik vertelde hem vele wonderen, en toonde hem de geheimen en het einde van de tijden, en beval hem, zeggende:

6Deze woorden zult u openbaar maken, en deze zult u verbergen.

7En nu zeg Ik u:

8De tekenen die Ik gedroomd heb, en de dromen die u gezien hebt, en de verklaringen, die u gehoord hebt, die zult u in uw hart wegleggen.

9Want u zult weggenomen worden van onder allen, en zult voortaan verkeren met Mijn raad, en met uw gelijken totdat de tijden geëindigd zijn.

10Want de wereld heeft haar jeugd verloren, en de tijden naderen om oud te worden.

11Want de eeuw is in twaalf delen verdeeld, en de tien zijn voorbij, en de helft van een tiende deel.

12Maar er is nog overig wat na het tiende deel en een half volgt.

13Nu dan beschik uw huis, en bestraf uw volk, en vertroost de vernederden onder hen, en laat alle verderfelijkheid varen.

14En doe van u weg de sterfelijke gedachten; werp van u de menselijke lasten, en trek uit de zwakke natuur, en stel aan de ene zijde de raadslagen die u allerbezwaarlijkst zijn, en haast u om uit deze tijden te verhuizen.

15Want het kwaad, dat u hebt zien gebeuren, zullen zij nog erger maken dan dit.

16Want zoveel als de wereld zal verzwakt worden door ouderdom, zoveel zal ook het kwaad vermenigvuldigd worden, over degenen die haar bewonen.

17Want de waarheid is veel verder geweken en de leugen is naderbij gekomen, en nu zal het visioen haast komen dat u gezien hebt.

18En ik antwoordde, en zei: Laat het voor u aangenaam zijn, Heere.

19Want ziet, ik zal heengaan zoals u mij bevolen hebt, en ik zal het tegenwoordige volk bestraffen. Maar wie zal die vermanen, die hierna zullen geboren worden?

20Daarom ligt de wereld in duisternis, en die daarin wonen zijn zonder licht.

21Omdat uw wet verbrand is, en daarom weet niemand de dingen die door u gedaan zijn, noch de werken die gebeuren zullen.

22Als ik dan genade bij u gevonden heb, zo zend in mij de Heilige Geest, en ik zal alles schrijven wat van de beginne in de wereld gebeurd is, aangaande de zaken die in uw wet geschreven waren, opdat de mensen de weg kunnen vinden, en dat degenen, die in de laatste tijden zullen willen leven, ook leven mogen.

23En hij antwoordde mij en zei: Ga en verzamel het volk, en zeg tot hen, dat zij u in veertig dagen niet zoeken.

24Maar u, bereid u veel busbomen tafelkens, en neem met u Sareas, Dabreas, Salemias, Echanus, en Asiël, deze vijf, die bereid zijn om snel te schrijven;

25En kom hier, zo zal Ik in uw hart ontsteken een licht van het verstand, dat niet zal uitgeblust worden, voordat de dingen voltooid zijn, die u zult beginnen te schrijven.

26En dit gedaan zijnde, zo zult u sommige dingen openbaar maken, en sommige zult u de wijzen in het geheim overgeven; want morgen van dit uur af zult u beginnen te schrijven.

27Toen ging ik heen, zoals hij mij beval, en ik verzamelde al het volk, en zei:

28Hoor Israël! deze woorden:

29Onze vaders waren van het begin vreemdelingen in Egypte, en zijn daaruit verlost geworden.

30En hebben de wet van het leven ontvangen, die zij niet hebben gehouden, die ook u na hen hebt overtreden.

31En het land, namelijk het land Sion is u tot een erfdeel gegeven; en uw vaders en u hebben onrecht gedaan, en hebben de wegen niet gehouden die de Allerhoogste bevolen had.

32En zo hij een rechtvaardig rechter is, zo heeft hij van u indertijd genomen, wat hij gegeven had.

33En nu zo bent u hier, en uw broers zijn onder u,

34Als u dan uw gemoederen gehoorzaam aanstelt en uw verstand onderrichten laat, zo zult u levend behouden worden, en na de dood zult u barmhartigheid verkrijgen.

35Want het oordeel zal na de dood komen, als wij weer levend zullen worden, en dan zullen de namen van de rechtvaardigen bekend, en de werken van de bozen openbaar worden.

36Zo kome dan niemand nu tot mij, noch vrage naar mij deze veertig dagen lang.

37En ik nam de vijf mannen tot mij, zoals hij mij bevolen had. En wij gingen naar het veld, en bleven daar.

38En op de volgende dag riep een stem mij, zeggende: Ezra, doe uw mond open, en drink wat Ik u te drinken zal geven.

39Toen deed ik mijn mond open, en ziet, een volle beker werd mij toegereikt. Deze was vol, als van water, maar zijn kleur was als van vuur.

40En ik nam het, en dronk het, en zo haast als ik het gedronken had, zo werd mijn hart vervuld met wetenschap, en de wijsheid wies in mijn borst, en mijn geest werd versterkt in zijn geheugen.

41En mijn mond werd opgedaan, en werd niet meer toegedaan.

42De Allerhoogste nu gaf de vijf mannen verstand, dat zij schreven de dingen die in verrukkingen van mijn zinnen werden gezegd, die zij toch niet wisten.

43's Nachts nu aten zij, maar overdag sprak ik, en 's nachts zweeg ik niet.

44Zo zijn er in veertig dagen geschreven tweehonderdenvier boeken.

45En het is gebeurd, als de veertig dagen geëindigd waren, dat de Allerhoogste tot mij sprak, en zei: Stel de eerste dingen, die u geschreven hebt, in het openbaar voor, en laat deze de waardigen en onwaardigen lezen.

46Maar de laatste zeventig boeken zult u behouden, opdat u die de wijzen onder het volk overlevert.

47Want in deze is de ader van het verstand, en de fontein van de wijsheid, en de vloed van de wetenschap; en ik deed zo.