Bijbel4 Ezra

4 Ezra 15

Lees 4 Ezra 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Dat de profetie van Ezra waarachtig is, 5 en dat God wraak wil oefenen over de goddelozen, 12 vooral over die van Egypte, 28 een afschuwelijk visioen van draken uit Arabie, 43 terwijl Babylon en Asia bedreigd worden.

1ZIE, u zult in de oren van Mijn volk de woorden van de profetie spreken, die Ik in uw mond zal leggen, spreekt de Heere,

2En maak dat zij op papier geschreven worden, want zij zijn trouw en waarachtig.

3En vrees niet voor de raadslagen tegen u en wees niet bezorgd over de ongelovigheid van de tegensprekers.

4Want al de ongelovigen zullen in hun ongeloof sterven.

5Zie, spreekt de Heere, Ik zal ongelukken over de aardbodem zenden, het zwaard, en de honger, en de dood, en de verderfenis;

6Omdat ongerechtigheid de overhand genomen heeft over de hele aarde, en haar schadelijke werken zijn vervuld geworden.

7Daarom spreekt de Heere:

8Ik zal niet zwijgen over hun goddeloosheid, die zij roekeloos begaan, en zal niet verdragen wat zij onrechtvaardig doen. Ziet het onschuldig en rechtvaardig bloed roept tot Mij; en de zielen van de rechtvaardigen roepen zonder ophouden.

9Zeker zal Ik hen wreken, spreekt de Heere, en Ik zal al het onschuldig bloed uit hen tot Mij nemen.

10Zie Mijn volk wordt als een kudde schapen ter slachting geleid, Ik zal nu niet meer dulden dat het in Egypte woon.

11Maar Ik zal het uitvoeren met een geweldige hand, en een verheven arm: en Ik zal dat land met plagen slaan als tevoren, en Ik zal al hetzelfde verderven.

12Egypte zal treuren, en zijn fundamenten zullen met plagen geslagen worden, en met straffen, die God over hetzelfde brengen zal.

13De akkerlieden, die het land bouwen, zullen treuren; want hun zaad zal van brand, en hagel, en van een vreselijk gesternte verdorven worden.

14Wee de wereld, en hen, die daarin wonen.

15Omdat het zwaard nadert, en hun ondergang, en het ene volk zal tegen het andere opstaan ten strijd, en het zwaard zal in hun handen zijn.

16Want daar zal ongestadigheid zijn in de mensen, en de één zal de ander overweldigen, en zij zullen naar hun koning niet vragen, en de vorsten zullen de weg van hun handelingen naar hun geweld afmeten.

17Want een mens zal begeren in een stad te gaan, en hij zal niet kunnen.

18Want vanwege hun hoogmoed zullen de steden beroerd worden, de huizen zullen verstoord worden, en de mensen zullen vrezen.

19De ene mens zal met de andere geen medelijden hebben, om hun huizen teniet te doen door het zwaard, en om hun goederen te roven, vanwege de honger naar brood, en de allerlei benauwdheid.

20Zie Ik roep samen, spreekt de Heere, al de koningen van de aarde om Mij te vrezen, die daar zijn van het westen, en van het zuiden, en van het oosten, en van Libanon, om tegen zichzelf te keren, en te vergelden wat zij hun aangedaan hebben.

21Zoals zij tot op de huidige dag Mijn uitverkorenen hebben gedaan, zo zal Ik hun doen, en zal het in hun schoot vergelden; dit spreekt de Heere.

22Mijn hand zal de zondaar niet sparen, en Mijn zwaard zal niet ophouden over degenen, die onschuldig bloed vergieten op aarde.

23Het vuur is uitgegaan van zijn toorn en heeft verteerd de fundamenten van de aarde, en de zondaars als aangestoken stro.

24Wee hen die zondigen, en Mijn geboden niet houden, spreekt de Heere.

25Ik zal hen niet sparen; wijk, kinderen, uit hun macht: en bevlekt Mijn heiligdom niet.

26Want de Heere kent al degenen, die tegen Hem zondigen, daarom heeft Hij hen overgegeven ter dood en ter slachting.

27Want nu zijn de ongevallen over de aardbodem gekomen, en u zult daarin blijven. Want God zal u niet verlossen, omdat u tegen Hem zondigt.

28Zie een schrikkelijk visioen, en zijn aankomst is van de opgang van de zon.

29Daar zullen natiën van draken uit Arabië komen met vele wagens, en zoals een wind zal hun menigte gedreven worden over de aarde, zodat zij allen zullen vrezen en beven, die hen horen;

30Namelijk de Karmaniërs razende in hun toorn, en zij zullen komen als wilde zwijnen uit het bos: en zullen aankomen met grote kracht, en zullen tegen hen in de oorlog staan, en zullen een deel van het land van de Assyriërs verwoesten.

31En na deze zullen de draken de overhand krijgen, zijnde hun natuur indachtig, en zullen zich omkeren, en samenspannen om met grote kracht die te vervolgen.

32Deze nu zullen ontsteld worden, en zullen stilstaan voor hun kracht, en zullen zich op de vlucht begeven.

33En een, op hen aankomende van het land van de Assyriërs, zal hen bezetten, en zal één uit hun Oversten ternederhouwen, en daar zal vrees en schrik in hun leger zijn, en twist tegen hun koningen.

34Zie, daar komen wolken van het oosten en noorden tot in het zuiden, haar aanzien is zeer gruwzaam, vol toorn en onweer.

35En zij zullen tegen elkaar stoten, en zullen vele sterren ter aarde werpen, en ook hun eigen sterren, en het bloed door het zwaard vergoten, zal tot de buik toe vloeien.

36En de mest van de mensen zal komen tot aan de gordel van de kamelen, en daar zal grote vrees en beving zijn op aarde.

37En die de onstuimigheid zien, zullen verschrikken, en beving zal hen bevangen.

38En daarna zullen er grote slagregenen komen van het zuiden en van het noorden, en nog een ander deel van het westen.

39En de winden uit het oosten zullen de overhand nemen, en zullen dat openen, met de wolk die het in zijn onstuimigheid verwekt had, en het gesternte zal schade lijden dat opkwam, om verschrikking te maken aan de oostenwind en westenwind.

40En daar zullen grote en sterke wolken, die vol onstuimigheid zijn met het gesternte zich verheffen, opdat zij de hele aarde verschrikken met degenen, die daarop wonen, en zij zullen over alle hoge en uitstekende plaatsen een gruwzaam gesternte uitgieten;

41Vuur en hagel, en vliegende zwaarden, en veel water, zodat al de velden, en al de beken door de menigte van het water vervuld zullen zijn.

42En zullen de steden neerwerpen, en de muren, en de bergen, en de heuvelen, en de bomen van de bossen, en het gras van de velden, en hun vruchten.

43En zij zullen standvastig gaan tot Babylon toe, en zullen die verstoren.

44Zij zullen gezamenlijk tot deze komen en die omlegeren, en zullen dat gesternte en al de onstuimigheid over haar uitgieten, en het stof en de rook zal opgaan tot de hemel toe, en allen die rondom haar zijn zullen haar betreuren.

45En die in haar zullen overblijven, die zullen degenen dienen, die hen verschrikt hebben.

46En u Azië, die een gezellin bent van de hoop Babylons, en een eer bent van haar persoon,

47Wee u, u ellendige, omdat u zich haar hebt gelijk gemaakt, en hebt uw dochters versierd tot hoererij, opdat zij zouden mogen behagen, en roemen op haar minnaars, die met u altijd begeerd hebben ontucht te plegen.

48U hebt de gehate stad altijd willen navolgen in al haar werken en vonden, daarom spreekt de Heere:

49Ik zal ongeval over u brengen, weduwschap, armoede, en honger, en zwaard, en pest, opdat uw huizen verwoest worden door het geweld, en de dood,

50En de heerlijkheid van uw kracht zal als een bloem verdorren, wanneer de hitte zal opgaan, die over u zal gebracht worden.

51U zult verzwakt worden als een arme deerne, die geslagen en getuchtigd is door de vrouwen, zodat de machtigen, en de minnaars, u niet zullen kunnen opnemen.

52Zou Ik ook zo tegen u jaloers zijn? spreekt de Heere.

53Als u Mijn uitverkorenen ten alle tijde niet had gedood, en uw handen over hen niet had verheven om te slaan, en u niet gezegd had, als u dronken was over hun dood,

54Versier nu de schoonheid van uw aangezicht!

55Het loon van uw hoererij is in uw schoot, daarom zult u vergelding ontvangen.

56Zoals u Mijn uitverkorenen zult doen, spreekt de Heere, zo zal de Heere u doen, en zal u ten ongeval overgeven.

57En uw kinderen zullen van honger vergaan, en u zult door het zwaard vallen, en uw steden zullen vernietigd worden, en al de uwen zullen in het veld door het zwaard vallen.

58En die op de bergen zijn, zullen van honger sterven, en zullen hun eigen vlees eten, en bloed drinken, door honger naar brood, en dorst naar water.

59O ongelukkigen, u zult over de zee wijken, en u zult daar weer ongeval ontmoeten.

60In het doortrekken zullen zij de verslagen stad in stukken stoten, en zullen een gedeelte van uw land verderven, en een deel van uw heerlijkheid uitroeien, en zo tot het verwoeste Babylon terugkeren.

61En als u ternedergeworpen bent, zo zult u hun zijn voor stoppelen, en zij zullen u zijn tot vuur.

62En zij zullen u verteren; en zullen uw steden, en uw land, en uw bergen, ook al uw bossen, vruchtdragend geboomte, met vuur verbranden.

63Zij zullen uw zonen als gevangene wegleiden, en uw inkomsten zullen zij tot roof maken, en zij zullen de heerlijkheid van uw aangezicht teniet maken.