Bijbel4 Ezra

4 Ezra 2

Lees 4 Ezra 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 God klaagt over de ondankbaarheid van zijn volk en dreigt hen te straffen. 10 Hij laat hun door Ezra aanzeggen dat Hij, omdat zij zijn verbond verwierpen, de heidenen in hun plaats zal roepen en hen overvloedig zal zegenen. 42 Ezra ziet de Zoon van God en hen die door Hem gekroond worden.

1DIT zegt de Heere: Ik heb dit volk uit de dienstbaarheid gevoerd, waaraan Ik bevelen gegeven heb door Mijn knechten de profeten, die zij niet hebben willen horen, maar zij hebben Mijn raad teniet gemaakt.

2De moeder, die hen gebaard heeft, zegt tot hen: Ga heen kinderen! want Ik ben een weduwe en verlatene.

3Met vreugde heb Ik u opgevoed, en Ik heb u met rouw en verdriet verloren: want u hebt gezondigd voor de Heere uw God, en hebt kwaad voor Hem gedaan.

4Nu dan, wat zal Ik u doen? Ik ben een weduwe en verlatene: Ga heen kinderen! en verzoekt barmhartigheid van de Heere.

5Maar u, o Vader, roep Ik tot getuige over de moeder van deze kinderen, die Mijn verbond niet hebben willen houden:

6Dat u hen te schande brengt, en hun moeder ten roof, opdat zij niet meer voortgeteeld worden.

7Laat hun namen verstrooid worden onder de heidenen: Laat hen van de aarde vernietigd worden; want zij hebben Mijn eed veracht.

8Wee u Assur! die de ongerechtigen bij u verbergt; u boos volk, gedenk wat Ik Sodom en Gomorra gedaan heb,

9Van wie het land in brokken pek, en ashopen ligt, zo zal Ik hun doen, die Mij niet gehoord hebben, spreekt de Heere, de almachtige.

10Dit zegt de Heere tot Ezra, verkondig Mijn volk, dat Ik hun het koninkrijk Jeruzalem zal geven, dat Ik Israël zou gegeven hebben.

11En Ik wil hun heerlijkheid tot Mij nemen, en zal hun de eeuwige tenten geven, die Ik anderen bereid had.

12De boom van het leven zal hun zijn tot een geurende zalf; zij zullen noch arbeiden, noch moe worden.

13Ga heen, zo zult u het ontvangen; bid voor u, dat het maar weinig dagen talme; het koninkrijk is nu voor u bereid; waak!

14Betuig de hemel en de aarde: want het kwade heb Ik verbroken, en het goede heb Ik geschapen: want het is, zo waar als Ik leef, spreekt de Heere.

15U, moeder! omhels uw kinderen; voed hen op met blijdschap als een duif, bevestig hun voeten, want Ik heb u gekozen, spreekt de Heere.

16En Ik zal de doden opwekken uit hun plaatsen, en uit de graven zal Ik hen voortbrengen; want Ik heb Mijn naam bekend gemaakt in Israël.

17En vrees niet, u, moeder van de kinderen! want Ik heb u gekozen, spreekt de Heere.

18Ik zal u Mijn knechten Jesaja en Jeremia tot een hulp zenden: op hun raad heb Ik voor u geheiligd en bereid twaalf bomen met verscheidene vruchten beladen;

19En zoveel fonteinen die met melk en honing stromen; en zeven grote bergen, die rozen en leliën hebben, waarop Ik uw kinderen met blijdschap zal vervullen.

20Spreek recht van de weduwen; doe recht aan de wezen; geef de armen; bescherm de verlatenen; bekleed de naakten,

21Heel de verwonden en zieken; en spot niet met de kreupelen; bescherm de verlamden; en laat de blinden komen tot het gezicht van Mijn klaarheid.

22Behoud de oude en jongen binnen uw muren.

23Waar u de doden vindt, teken ze, en begraaf ze: zo zal Ik u de eerste plaats geven in Mijn verrijzenis:

24Wees stil, en houd op, Mijn volk, want uw rust zal komen.

25U, goede voedster! kweek uw kinderen op, versterk hun voeten.

26Van de knechten, die Ik u gegeven heb, zal niemand omkomen, want Ik zal hen van uw getal eisen.

27En wees niet bezorgd, want als de dag van de angst en de nood komt, zo zullen anderen huilen en droevig zijn: maar u zult vrolijk zijn en overvloed hebben.

28De heidenen zullen jaloërs zijn, maar zij zullen tegen u niets uitrichten, spreekt de Heere.

29Mijn handen zullen u bedekken, dat uw kinderen het dodenrijk niet zien.

30Vervrolijk u, u moeder met uw kinderen, want Ik zal u verlossen, spreekt de Heere:

31Gedenk aan uw kinderen die slapen, want Ik zal ze uit de zijden van de aarde te voorschijn brengen, en Ik zal hun barmhartigheid bewijzen, omdat Ik barmhartig ben, spreekt de Heere, de almachtige.

32Omhels uw kinderen totdat Ik kom, en hun barmhartigheid bewijze, want Mijn fonteinen vloeien over, en Mijn genade zal niet ontbreken.

33Ik Ezra, heb een bevel ontvangen van de Heere op de berg Oreb, dat ik tot Israël gaan zou. Maar toen ik tot hen kwam, zo verwierpen zij mij, en versmaadden het bevel van de Heere.

34Daarom zeg ik tot u, u heidenen, die dat hoort en verstaat: Verwacht uw Herder, hij zal u een eeuwige rust geven, want hij is nabij, die aan het einde van de wereld zal komen.

35Wees bereid voor de beloning van het koninkrijk, want een altijddurend licht zal over u lichten in alle eeuwigheid.

36Vlucht de schaduw van deze wereld; neem de vreugde van uw heerlijkheid; ik betuig dit openlijk voor mijn Zaligmaker.

37Neem de gave aan, die u aangeprezen wordt, en verheugt u, dankzeggende degene die u tot het hemels koninkrijk heeft geroepen.

38Rijst op, en staat, en ziet het getal van degenen, die getekend zijn tot de maaltijd van de Heere.

39Die van de schaduw van deze wereld zijn overgegaan, die hebben sierlijke kleren van de Heere ontvangen.

40Sion, neem uw getal tot u, en besluit in u uw in het wit gekleden, die de wet van de Heere vervuld hebben.

41Het getal van uw kinderen, die u gewenst hebt, is vol. Bid de majesteit van de Heere, dat uw volk geheiligd worde, dat van de beginne geroepen is.

42Ik Ezra zag op de berg Sion een grote hoop, die ik niet tellen kon, en zij loofden allen Heere met lofzangen;

43En in het midden van hen was een jongeling van aanzienlijke grootte, hoger dan die allen, en hij zette een kroon op een ieder van hun hoofden, en hij werd meer verhoogd: zodat ik mij zeer verwonderde.

44Toen vroeg ik de engel en zei: Wie zijn deze, Heere?

45Die mij antwoordde en zei: Deze zijn het, die de sterfelijke rok hebben afgelegd, en de onsterfelijke hebben aangedaan, en hebben de naam van God beleden; nu worden zij gekroond, en ontvangen palmtakken.

46En ik zei tot de engel: Wie is de jongeling die hun kronen opzet, en palmtakken in de handen geeft?

47En hij antwoordde mij en zei: Het is de Zoon van God, die zij in de wereld hebben beleden. Toen begon ik hen hoog te prijzen, die zo kloekmoedig voor de naam van de Heere gestaan hadden.

48Toen zei de engel tot mij: Ga en verkondig mijn volk zoals en hoe grote wonderen van God u gezien hebt.