Bijbel4 Ezra

4 Ezra 3

Lees 4 Ezra 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Ezra raakt zeer ontroerd over de ellende van zijn volk, 13 en belijdt de zonden en de ondankbaarheid daarvan. 28 Hij klaagt erover dat de heidenen, die nog goddelozer waren dan zij, over hen heersten.

1IN het dertigste jaar van de ondergang van de stad, was ik te Babylon, en lag bezorgd op mijn bed, en mijn gedachten kwamen in mijn hart;

2Want ik zag de verwoesting van Sion, en de overvloed van degenen, die te Babylon woonden.

3En mijn geest werd zeer bewogen; en ik begon tot de allerhoogste met vrees te spreken, en ik zei:

4O heersende Heere, U hebt van de beginne gesproken, toen U de aarde hebt gefundeerd, U alleen, en hebt het volk geboden gegeven;

5En hebt Adam een lichaam gegeven, dat geen leven had maar het was ook een maaksel van Uw handen, en U hebt hem een geest van het leven ingeblazen en hij is levend voor U geworden.

6En hebt hem in het Paradijs gezet dat Uw rechterhand gemaakt had, voordat hij uit de aarde was gekomen.

7En hebt hem geboden Uw weg lief te hebben, maar hij heeft die overtreden; en U hebt de dood over hem doen komen en over zijn nakomelingen. En daar zijn volken voortgekomen, en stammen, en mensen, en geslachten, waarvan het getal niet is te tellen.

8En een ieder volk wandelde naar zijn wil, en deed wonderlijke dingen voor U, verachtte Uw geboden.

9Daarentegen deed U na verloop van tijd de zondvloed komen over degenen, die de wereld bewoonden, en U verdierf ze.

10En zoals over Adam de dood, zo is over een ieder van hen de zondvloed gekomen.

11Maar U liet één uit hen overblijven, namelijk Noach met zijn huisgezin, en uit hem zijn alle rechtvaardigen.

12En het is gebeurd, toen degenen, die op aarde woonden begonnen te vermenigvuldigen, en vele kinderen verkregen, en tot vele volken en natiën werden, dat zij weer goddelozer werden dan de eerste.

13En als zij nu ongerechtigheid voor U bedreven, zo hebt U Zich een man uit deze gekozen, van wie de naam Abraham was.

14Die hebt U liefgehad, en hebt hem alleen Uw wil aangewezen.

15En U hebt met hem een eeuwig verbond gemaakt, en hebt hem gezegd, dat U zijn zaad nimmermeer zou verlaten; aan deze hebt U Izaäk gegeven, en aan Izaäk hebt U Jakob en Ezau gegeven.

16Jakob nu hebt U Zich gekozen, maar Ezau hebt U van U afgezonderd, en Jakob is geworden tot een grote menigte.

17En het is gebeurd toen U zijn zaad uit Egypte leidde, dat U hem gebracht hebt aan de berg Sinaï.

18Daar boog U de hemel, en schudde de aarde; U bewoog de aardbodem, en de afgrond deed U beven, en U verschrikte de wereld.

19En Uw heerlijkheid ging door vier poorten, namelijk door het vuur, en de aardbeving, en de wind, en de vorst; opdat U het zaad van Jakob de wet gaf, en het geslacht van Israël ijver.

20Maar U nam van hen het boze hart niet weg, opdat Uw wet in hen zou vrucht voortbrengen.

21Want de eerste Adam, hebbende een boos hart, heeft het gebod overtreden, en is overwonnen, ja ook allen die van hem zijn geboren.

22En het werd een bijblijvende zwakheid, en de wet is gebleven met het hart van het volk, en met de boosheid van de wortel, en wat goed is, dat is weggegaan, en het boze is gebleven.

23Zo verliepen de tijden, en de jaren werden geëindigd, en U verwekte voor Uzelf een knecht, met de naam David.

24En U hebt hem gezegd, dat hij voor Uw naam een stad zou bouwen, en dat men U daarin wierook en offergaven zou offeren.

25En dat is vele jaren gebeurd, maar die deze stad bewoonden, zondigden tegen U;

26En deden in alles zoals Adam, en al zijn nakomelingen, want zij gebruikten ook een boos hart.

27En U hebt Uw stad overgegeven in de handen van Uw vijanden.

28Handelen nu, die in Babylon wonen beter? en zal zij daarom over Sion heersen?

29Ja toen ik hier ben gekomen, en de goddeloosheid gezien heb, waarvan geen getal is, (want mijn ziel heeft vele overtreders dit dertigste jaar nu gezien) zo is mijn hart mij ontvallen.

30Want ik heb gezien, hoe U hen duldt als zij zondigen, en spaart als zij goddeloosheid bedrijven, en Uw volk hebt U uitgeroeid, en Uw vijanden hebt U behouden; en U hebt dat niet te verstaan gegeven.

31Ik kan niet bedenken, hoe deze weg zo moet blijven. Doe dan Babylon beter dan Sion?

32Is er dan een ander volk dat U kent, dan Israël? of wat geslacht heeft Uw verbonden geloofd, zoals Jakob?

33Van wie het loon toch nergens voorhanden is, en van wie de arbeid geen vrucht geeft. Want ik ben door de heidenen heen en weer getogen, en ik heb gezien dat zij overvloed hebben, en dat zij Uw geboden niet gedenken.

34Nu dan, weeg onze ongerechtigheden in een schaal, en daartegen die van degenen die in de wereld wonen, zo zal Uw naam niet gevonden worden dan in Israël.

35Of wanneer hebben die op aarde wonen voor U niet gezondigd? of wat volk heeft Uw geboden zo gehouden?

36Deze zult U wel met namen vinden, dat zij Uw geboden gehouden hebben, maar bij de heidenen zult U hen niet vinden.