Bijbel4 Ezra

4 Ezra 4

Lees 4 Ezra 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De engel Uriel wijst Ezra op zijn onwetendheid in het begrijpen van de oordelen van God, 13 en raadt hem aan zich niet bezig te houden met dingen die zijn begrip te boven gaan. 23 Toch stelt Ezra veel vragen voor, en ontvangt daarop ook antwoord.

1TOEN antwoordde mij de engel, die tot mij gezonden was, van wie de naam Uriël is,

2En zei tot mij: Uw hart gaat veel te hoog in deze wereld, dat u denkt de weg van de allerhoogste te begrijpen.

3En ik zei: Ja mijn Heere. En hij antwoordde mij en sprak: Ik ben tot u gezonden om drie wegen aan te wijzen, en om drie gelijkenissen u voor te stellen,

4Van welke, zo u mij een kunt verklaren, zo zal ik u ook de weg tonen, die u begeert te zien, en ik zal u leren, vanwaar dat boze hart is.

5Toen sprak ik: Zeg aan mij Heere; en hij zei tot mij: Ga heen, en weeg mij het gewicht van het vuur, of meet me het geblaas van de wind, of roep mij de dag weer, die voorbijgegaan is.

6En ik antwoordde en zei: Wie is er geboren die kan doen wat u van mij eist?

7Toen zei hij tot mij: Als ik u vroeg en zei: Hoeveel woningen zijn er in het hart van de zee? of hoeveel aderen zijn er in het begin van de afgrond? of hoeveel aderen zijn er boven het uitspansel? of welke zijn de uitgangen van het Paradijs?

8Zo zou u mij mogelijk zeggen: Ik ben in de afgrond niet neergedaald, noch tot nog toe in het dodenrijk; en ik ben in de hemel nooit opgeklommen.

9Maar nu heb ik niet gevraagd dan van vuur, en van wind, en van de dag, daar u doorgegaan bent, en waarvan u niet kon afgezonderd zijn, en u hebt mij daarvan niet geantwoord.

10En hij zei tot mij: Uw eigen dingen, die met u zijn opgegroeid, kunt u niet kennen,

11Hoe zou u dan kunnen bevatten de weg van de allerhoogste; en zo de wereld van buiten verdorven is, hoe zou u verstaan de verdorvenheid die openbaar is voor mij?

12En ik zei tot hem: Het was beter dat wij niet waren, dan dat wij nog levende zouden leven in goddeloosheid, en zouden lijden, en niet verstaan om welke zaak.

13Toen antwoordde hij mij, en zei: Ik ging eens in een bos van bomen van het veld, die maakten een aanslag,

14En spraken: Kom, laat ons heengaan en de zee bevechten, opdat zij voor ons wijke, en wij nog andere bossen maken.

15Evenzo maakten de golven van de zee ook een aanslag, en zeiden: Kom, laat ons optrekken, en de bossen van het veld bevechten, opdat wij ook daar een ander gewest voor ons maken.

16En de aanslag van het bos werd ijdel, want het vuur kwam en verteerde het.

17Evenzo ook de aanslag van de golven van de zee, want het zand stond vast, en heeft die verhinderd.

18Als u nu een richter was van deze, wie zou u rechtvaardigen, of wie veroordelen?

19Toen antwoordde ik en zei: Zij hebben werkelijk beide ijdele aanslagen gehad, want de aarde is gegeven voor het bos, en een plaats voor de zee om haar golven te dragen.

20En hij antwoordde mij en zei: U hebt wèl geoordeeld, maar waarom hebt u ook niet geoordeeld voor u zelf?

21Want zoals de aarde gegeven is voor het bos, en de zee voor haar golven, zo kunnen ook, die op de aarde wonen, alleen verstaan wat op de aarde is, en die in de hemel wonen wat op de hoogte van de hemel is.

22Toen antwoordde ik, en zei: Ik bid u Heere, dat mij de zin gegeven worde om te verstaan.

23Want ik heb niet willen vragen van uw hogere dingen, maar van de dingen die onder ons dagelijks omgaan: namelijk, waarom Israël de heidenen tot een smaad is overgegeven, en waarom het volk, dat u liefgehad hebt, overgegeven is aan de goddeloze geslachten, en de wet van onze vaders teniet is geworden, en de geschreven rechten nergens voorhanden zijn,

24En waarom wij door de wereld zijn gegaan als sprinkhanen, en ons leven verbaasdheid is en vrees, en wij niet waard zijn barmhartigheid te verkrijgen.

25Maar wat zal hij doen met zijn naam, die over ons aangeroepen is? Van deze dingen dan heb ik gevraagd.

26Toen antwoordde hij mij, en zei: Als u veel onderzoekt, zo zult u zich dikwijls verwonderen, want de tijd van deze wereld loopt zeer haastig heen,

27En kan niet vatten wat in toekomende tijden de rechtvaardigen toegezegd is, want deze tijd is vol ongerechtigheid en zwakheid.

28Maar waarvan u mij vraagt wil ik u zeggen: Het boze is gezaaid, maar zijn verstoring is nog niet gekomen.

29Zo nu wat gezaaid is, omgekeerd wordt, en de plaats niet wegwijkt, waar het kwade gezaaid is, zo zal het goede niet komen waar het gezaaid is.

30Want het graan van het kwade zaad is gezaaid in het hart van Adam van het begin; hoeveel goddeloosheid heeft het voortgebracht tot nu toe, en zal het nog voortbrengen, totdat de oogst komt?

31Nu overweegt u bij u zelf, wat een grote vrucht van de goddeloosheid het graan van het kwade zaad voortgebracht heeft.

32Wanneer de aren, waarvan geen getal is, afgesneden zullen zijn, hoe groot een oogst zullen ze voortbrengen?

33En ik antwoordde en zei: Hoe en wanneer zal dit gebeuren? waarom zijn onze jaren weinig en kwaad?

34Toen antwoordde hij, en zei tot mij: Haast u niet om over de Allerhoogste te zijn; want u haast u tevergeefs om over Hem te zijn, en u gaat u veel te buiten.

35Hebben niet de zielen van de rechtvaardigen in hun binnenkamers hiervan gevraagd, zeggende: Hoe lang zal ik zo hopen? en wanneer zal de vrucht van de oogst van onze beloning komen?

36En Jeremiël de aartsengel antwoordde daarop, en zei: Als dan, wanneer het getal van de zaden onder u zal vervuld zijn; want hij heeft de wereld gewogen in een balans,

37En hij heeft de tijden met een maat gemeten, en heeft de tijden met een getal geteld, en hij beweegt en roert het niet, voordat de voorzegde maat vervuld is.

38En ik antwoordde en zei: O heersende Heere, maar ook wij allen zijn vol goddeloosheid,

39Dat nu misschien om onzentwil de oogst van de rechtvaardigen niet nalate vervuld te worden, vanwege de zonden van degenen die op aarde wonen.

40En hij antwoordde, en zei tot mij: Ga, en vraag een zwangere vrouw, wanneer zij haar negen maanden vervuld heeft, of haar baarmoeder de vrucht nog zal kunnen bij zich houden.

41En ik zei: Nee, zij kan niet Heere; en hij zei tot mij: In het dodenrijk zijn de binnenkameren van de zielen aan de baarmoeder gelijk.

42Want zoals een die baart zich haast, om van de nood van de geboorte ontslagen te worden, zo haast deze ook, om uit te geven wat haar bevolen is.

43Van het begin dan wordt u getoond, wat u begerig bent te zien.

44En ik antwoordde en zei: Heb ik genade in uw ogen gevonden, en als het mogelijk is, en ik er bekwaam toe ben,

45Zo toon mij, of er meer staat te komen, dan er voorbijgegaan is, of dat meer voorbijgegaan is dan er toekomende is.

46Wat voorbijgegaan is, dat weet ik; maar wat toekomende is, dat weet ik niet.

47En hij zei tot mij: Sta aan de rechterzijde, en ik zal u de verklaring daarvan door een gelijkenis voorstellen.

48En ik stond daar, en ik zag, en zie een gloeiende oven ging voor mij heen, en als de vlam voorbijging, zo zag ik dat de rook overbleef.

49Daarna ging voorbij mij een wolk vol van water en bracht veel regen in met onstuimigheid, en als de onstuimigheid van de regen voorbij was, zo bleven de druppelen daarin over.

50En hij zei tot mij: Denk bij u zelf, zoals de regen meer aanwast dan de druppelen, en het vuur dan de rook, zo is de maat, die voorbij is, overvloediger, maar de druppelen en de rook zijn nog overgebleven.

51En ik bad en zei: Denkt u, dat ik tot in die dagen zal leven, of wat zal het in die dagen zijn?

52Toen antwoordde hij mij en zei: Van de tekenen waarvan u mij vraagt, kan ik u ten dele zeggen, maar van uw leven ben ik niet gezonden u te zeggen, want ik weet het ook niet.