4 Ezra 5
Lees 4 Ezra 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De tekenen van de laatste tijden. 23 Ezra vraagt waarom God maar een volk heeft uitverkoren, en waarom Hij datzelfde volk laat verdrukken. 30 Hem wordt geantwoord dat de oordelen van God ondoorgrondelijk zijn, 46 en dat God niet alle dingen tegelijk doet.
1VAN de tekenen nu. Zie de dagen zullen komen, dat die op aarde wonen, zullen gegrepen worden, in grote rijkdom, en de weg van de waarheid zal verborgen zijn, en het land zal zonder trouw zijn.
2En de ongerechtigheid zal vermenigvuldigd worden boven deze, die u zelf ziet, en boven die u vroeger gehoord hebt.
3En het zal gebeuren, wanneer een voet daarop gezet wordt, dat men het land, dat u nu ziet heersen, woest zal zien.
4Als nu de Allerhoogste u laat leven, zo zult u na de derde bazuin zien, dat de zon van de nacht haastig zal schijnen, en de maan drie keer in de dag.
5Het bloed zal van het hout druipen, en de steen zal zijn stem geven, en de volken zullen bewogen worden.
6En hij zal heersen, die degenen die op de aarde wonen niet verwachten, en het gevogelte zal wegtrekken.
7En de zee van Sodom zal haar vissen uitwerpen, en zal des nachts een stem van zich geven, die velen niet kennen, allen toch zullen zij haar stem horen.
8De aarde zal opengaan in vele plaatsen, en het vuur zal dikwijls te voorschijn komen, en het wilde gedierte zal wegtrekken, en de maandstondige vrouwen zullen wangedrochten baren.
9En in de zoete wateren zullen zoute gevonden worden, en alle vrienden zullen elkaar met strijd overvallen, dan zal de kennis verborgen zijn, en het verstand zal zich verbergen in zijn binnenkameren.
10En zal van velen gezocht en niet gevonden worden, en de ongerechtigheid en onmatigheid zal vermenigvuldigd worden op aarde.
11En het ene land zal het andere, dat naast gelegen is, vragen, en zeggen: Is ook de gerechtigheid, die rechtvaardig maakt, door u getogen? En het zal zeggen: Nee.
12In die tijd zullen de mensen hopen en niet verkrijgen; zij zullen arbeiden maar hun wegen zullen niet gericht worden.
13Deze tekenen u te zeggen is mij toegelaten, en zo u weer bidt en weent zoals nu, en zo u zeven dagen vast, zo zult u weer grotere horen dan deze.
14Toen verschrikte ik, en mijn lichaam beefde zeer, en mijn ziel werd bang, zodat ik bezweek.
15Maar de engel die gekomen was en met mij sprak, hield mij op, en versterkte mij, en stelde mij op mijn voeten.
16En het is gebeurd in de tweede nacht, dat Salathiël, de overste van het volk, bij mij kwam en zei tot mij:
17Waar bent u geweest, en waarom is uw gezicht zo droevig? Weet u niet dat Israël u bevolen is in het land van zijn gevangenis?
18Sta dan op, en nuttig voedsel, en verlaat ons niet, als een herder zijn schapen, in het geweld van de kwade wolven.
19En ik zei tot hem: Ga van mij, en nader niet tot mij. En hij hoorde mij, naar ik gezegd had, en hij week van mij.
20En ik vastte zeven dagen, huilende en wenende, zoals mij de engel Uriël bevolen had.
21En het gebeurde na zeven dagen, dat de gedachten van mijn hart mij weer zeer bezorgd maakten.
22En mijn ziel nam weer de geest van het verstand, en begon weer te spreken voor de Allerhoogste.
23En ik zei: O heersende Heere, uit alle bossen van de aarde en uit al hun bomen hebt U alleen de wijnstok gekozen;
24En uit al de landen van de aardbodem hebt U Zich een groef gekozen, en uit alle bloemen van de aardbodem hebt U Zich een lelie gekozen;
25En uit al die diepten van de zee hebt U Zich een beek gevuld, en uit al de gebouwde steden hebt U Zich Sion geheiligd.
26En uit alle geschapen gevogelte hebt U Zich een duif genoemd, en uit al het geschapen vee hebt U Zich een lammetje voorzien,
27En uit alle vermenigvuldigde volken hebt U Zich een volk verkregen, en hebt een wet gegeven, die door allen goed gekend is, aan dit volk waarin U lust had.
28En nu Heere, waarom hebt U dit enige volk aan velen over gegeven? en hebt boven die wortel andere bereid, en hebt het enige, dat Uw is, onder velen verstrooid?
29En zij hebben dat vertreden, die Uw beloften tegenspraken, en die Uw verbonden niet geloofden.
30En ofschoon U Uw volk haatte, zo moest het door Uw handen getuchtigd worden.
31En het is gebeurd, als ik deze woorden gesproken had, dat de engel tot mij gezonden is, die de vorige nacht tot mij was gekomen.
32En hij zei tot mij: Hoor mij, en ik zal u onderrichten, en luister naar mij, en ik wil u verder zeggen.
33Toen zei ik: Spreek mijn Heere. En hij zei tot mij: Uw geest is te zeer bezorgd over Israël; hebt u dat volk liever, dan degene die het gemaakt heeft?
34En ik zei tot hem: Nee Heere, maar ik heb zo uit verdriet gesproken; want mijn nieren drukken mij te allen tijde, zoekende te verstaan de weg van de allerhoogste, en te doorgronden een deel van Zijn oordeel.
35En hij zei tot mij: Dat kunt u niet. Maar ik sprak: Waarom Heere? Waartoe ben ik dan geboren, of waarom was mij de schoot van mijn moeder niet een graf, opdat ik de kommer van Jakob niet zou zien, en de moeite van het geslacht van Israël?
36En hij zei tot mij: Vertel mij de dingen die nog niet zijn gekomen: en vergader mij de verstrooide druppelen, en maak mij de verdorde bloemen opnieuw groen.
37Open mij de binnenkameren die gesloten zijn, en breng mij te voorschijn de winden, die daarin besloten zijn: toon mij het beeld van de stem; en dan zal ik u tonen de arbeid waarnaar u vraagt om die te zien.
38En ik sprak: O heersende Heere, wie is er die deze dingen kan zien, dan die bij de mensen zijn woning niet heeft.
39Maar ik ben onverstandig, en hoe zou ik van die dingen kunnen spreken, die u mij hebt gevraagd?
40Toen zei hij tot mij: Zoals u niet één van de dingen kunt doen, die gezegd zijn, zo zult u ook mijn oordeel niet vinden, noch de eigenlijke liefde, die ik mijn volk toegezegd heb.
41En ik sprak: Maar zie, Heere, u bent nabij degenen, die tegen het einde zijn; wat zullen nu die doen, die voor mij geweest zijn, of wij, of die na ons zijn zullen?
42En hij zei tot mij: Ik wil mijn oordeel met een cirkel vergelijken; zoals de laatste geen vertraging is, zo is de eerste geen verhaasting.
43En ik antwoordde en zei: Kon u niet maken, dat degenen die geweest zijn, en die nu zijn, en die nog zijn zullen, op eenmaal zouden zijn, opdat u uw oordeel te spoediger vertoonde?
44En hij antwoordde en zei: Het schepsel kan de Schepper niet voorkomen, noch de wereld op eenmaal dragen, die daarin geschapen zullen worden.
45Toen sprak ik: Zoals u tot uw knecht hebt gezegd, dat u het schepsel, dat geschapen is, op eenmaal levend gemaakt hebt, en het schepsel verdroeg het, zo kan het ook nu wel op eenmaal de tegenwoordige dragen.
46En hij zei tot mij: Vraag de baarmoeder van een vrouw, en zeg tot haar: Zo u baart, waarom doet u dat op verscheiden tijd? Bid haar dan dat zij er tien op eenmaal geve.
47En ik zei: Zij kan toch niet, maar zij moet het door de tijd doen.
48Toen zei hij: Ik heb ook de baarmoeder van de aarde gegeven, voor degenen die daarop gezaaid zijn tot verscheiden tijden.
49Want zoals een jong kind niet baart, wat van de oude is, zo heb ik ook de geschapen wereld bestemd.
50En ik vroeg en zei: Omdat u mij de weg hebt geopend, zo zal ik voor u spreken; onze moeder waarvan u mij gezegd hebt, is die nog jong; of nadert zij nu de ouderdom?
51Toen antwoordde hij, en zei tot mij: Vraag degene die baart, en zij zal het u zeggen;
52Want u zult tot haar zeggen: Waarom zijn degenen, die u gebaard hebt, nu niet zoals degenen, die voor u zijn geweest, maar zijn minder van grootte?
53En zij zal u ook zelf zeggen: Anderen zijn die, die in de sterke jeugd geboren zijn; en anderen, die omtrent de tijd van de ouderdom geboren worden, als de baarmoeder afneemt.
54Zo merk dan ook u, dat u van minder grootte bent, dan die voor u geweest zijn.
55En die na u komen, zullen van minder grootte zijn dan u, als schepselen die nu beginnen oud te worden, en bij wie de sterkte van de jeugd nu voorbij is.
56En ik zei: Ik bid u Heere, als ik genade in uw ogen gevonden heb, zo toon uw knecht door wie u uw schepsel bezoekt.