4 Ezra 6
Lees 4 Ezra 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Het voornemen van God is van eeuwigheid, van voor de schepping van de wereld. 8 De toekomende wereld zal onmiddellijk op deze volgen. 13 Wat in de laatste tijd zal gebeuren, 20 het laatste oordeel en de opstanding uit de doden. 31 Aan Ezra wordt meer kennis beloofd. 38 Hij verhaalt de werken van de schepping, 56 en klaagt dat Gods volk, om wie de wereld gemaakt is, in de wereld verdrukt wordt.
1EN hij zei tot mij: Van toen af dat de aardbodem zijn begin had, en voordat de einden van de wereld vaststonden, en voordat de winden samen bliezen,
2En voordat de stemmen van de donder geluid gaven, en voordat het licht van de bliksem scheen, en voordat de fundamenten van het paradijs bevestigd waren;
3En voordat de schone bloemen gezien werden, en voordat de bewogen krachten waren bevestigd, en voordat de ontelbare legermachten van de engelen verzameld waren,
4En voordat de hoogte van de lucht werd opgeheven, en voordat de maat van de hemelen bekend was, en voordat de haardsteden te Sion heet waren,
5En voordat men de tegenwoordige jaren opzocht, en voordat de vonden van degenen, die nu zondigen, afkerig werden, en opgetekend waren die het geloof tot een schat verzameld hebben,
6Toen heb ik alle dingen bedacht, en zij zijn door mij alleen en door geen ander gemaakt, en het einde zal door mij zijn, en door geen ander.
7En ik antwoordde en zei: Wat scheiding van de tijd zal er zijn? of wanneer zal het einde zijn van de vorigen, en het begin van de volgenden?
8En hij zei tot mij: Van Abraham tot op Izaäk, toen Jakob en Ezau van hem geboren zijn, zo hield de hand van Jakob van het begin de hiel van Ezau;
9Want het einde van deze eeuw is Ezau, en het begin van de toekomende is Jakob.
10De hand van de mensen is tussen de hiel en de hand; anders zult u nu niet vragen, Ezra.
11En ik antwoordde, en zei: O heersende Heere, als ik genade gevonden heb in uw ogen,
12Zo bid ik u, dat u uw dienaar het einde toont van uw tekenen, waarvan u mij een deel de voorgaande nacht getoond hebt.
13En hij antwoordde en zei tot mij: Sta op uw voeten, en hoor de volkomen stem van het geluid.
14En daar zal zijn een beweging, en toch zal de plaats waar u op staat niet bewogen worden.
15Daarom als hij spreekt, zo verschrikt niet, want het woord zal zijn van het einde, en het fundament van de aarde wordt daarbij ook verstaan;
16Daar men dan van die dingen spreekt, zo beeft zij en wordt bewogen, want zij weet dat haar einde moet veranderd worden.
17En als ik het gehoord had, zo stond ik op mijn voeten, en ik hoorde, en zie een stem sprak, en haar geluid was als het geluid van vele wateren.
18En zij zei: Zie de dagen komen, en het zal gebeuren, als Ik zal beginnen te naderen, dat Ik de inwoners van de aarde zal bezoeken.
19En dat Ik van hen zal beginnen te onderzoeken, wie met hun ongerechtigheid anderen onrechtvaardig zullen hebben beledigd, en wanneer de vernedering Sions zal vervuld zijn.
20En als de wereld, die begint te vergaan zal toegezegeld worden, zo zal Ik deze tekenen doen; De boeken zullen opengedaan worden voor het aangezicht van de hemel, en alle samen zullen zij ze zien;
21En kinderen van één jaar zullen met hun stemmen spreken, en de zwangere vrouwen zullen ontijdig kinderen baren van drie en vier maanden, en deze zullen leven en opgewekt worden,
22En de bezaaide plaatsen zullen haastig als onbezaaide gezien worden, en de volle kelders zullen haastig leeg gevonden worden,
23En de bazuin zal met een geluid slaan, en als allen die gehoord hebben, zo zullen zij verschrikt worden.
24En het zal te dien tijde gebeuren, dat de vrienden hun vrienden zullen bevechten als vijanden, en de aarde zal met hen verschrikken; en de aderen van de fonteinen zullen stilstaan en zullen in drie uren niet lopen.
25En een ieder, die van deze allen zal overblijven, waarvan Ik u gezegd heb, die zal behouden worden, en zal Mijn zaligheid zien, en het einde van uw wereld.
26En de mensen, die aangenomen zijn, die de dood van hun geboorte aan niet gesmaakt hebben, zullen het zien; en het hart van de inwoners zal veranderd, en in een andere zin gekeerd worden.
27Want het kwaad zal uitgeroeid en het bedrog zal uitgeblust worden.
28Maar het geloof zal bloeien en de verdorvenheid zal overwonnen worden, en de waarheid zal te voorschijn komen, die zovele dagen zonder vrucht geweest is.
29En het gebeurde, toen hij met mij sprak, dat ik hem langzamerhand aanzag, voor wie ik stond.
30En hij sprak tot mij: Ik ben gekomen om u te tonen de tijd van de toekomende nacht.
31Als u dan weer bidt, en weer zeven dagen vast, zo zal ik u weer grotere dingen dan deze verkondigen, op die dag dat ik ze gehoord heb.
32Want uw stem is verhoord door de allerhoogste; want de Sterke heeft uw gezindheid gezien, en uw reinheid, die u van de jeugd aan hebt behouden.
33En daarom heeft hij mij gezonden, om dit alles aan te tonen, en u te zeggen: Heb goede moed en vrees niet,
34En overhaast u niet, om de voorgaande tijden ijdele dingen te bedenken, en haast u niet om van de laatste tijden achterhaald te worden.
35En het gebeurde na deze, dat ik weer huilde, en evenzo zeven dagen vastte, opdat ik de drie weken vervulde die mij gezegd waren.
36En aan de achtste nacht, werd mijn hart weer in mij beroerd, en ik begon te spreken voor de Allerhoogste;
37Want mijn geest werd zeer ontstoken en mijn ziel werd benauwd.
38En ik zei: O Heere, U hebt in het begin van de schepping op de eerste dag gesproken en gezegd: Dat hemel en aarde worde, en Uw Woord was een volkomen werk,
39En de geest was toen, de duisternis zweefde rondom met stilte; want het geluid van de stem van de mensen was nog door U niet geschapen.
40Toen hebt U gezegd, dat uit Uw schatten het klare licht zou voortgebracht worden, opdat Uw werk zichtbaar zou worden.
41En op de tweede dag schiep U de lucht van het uitspansel, en hebt die bevolen, dat zij onderscheid zou maken tussen de wateren, zodat een deel omhoog zou trekken, en een deel beneden zou blijven.
42De derde dag nu hebt U de wateren bevolen, dat zij zouden verzameld worden op het zevende deel van de aarde, maar zes delen hebt U droog gemaakt en behouden, opdat er zouden zijn die daaruit voor U zouden dienen, als zij door God bezaaid en gebouwd zouden zijn.
43Want Uw Woord ging uit, en het werk is meteen geworden.
44Want van stonden aan kwam er een ontelbare menigte vruchten voort, en van allerlei begeerlijke smaak, en bloemen van kleuren, die men niet kan namaken, en geurende dingen van onnaspeurlijke reuk, en deze alle zijn op de derde dag gemaakt.
45Op de vierde dag nu gebood U, dat worden zou het schijnsel van de zon, het licht van de maan, en de ordening van de sterren,
46En U gebood hun dat zij de mens dienen zouden, die nog geschapen zou worden.
47Op de vijfde dag zei U tot het zevende deel, waarin de wateren verzameld waren, dat het zou voortbrengen gedierte, vogels, en vissen, en het gebeurde.
48Want dat stomme water zonder ziel, bracht gedierten voort, die God door één wenk bevolen had, opdat de volken daarin Uw wonderen zouden verhalen.
49En toen hebt U twee dieren bestemd, de naam van het ene noemde U Behemoth, en de naam van het andere noemde U Leviathan.
50En U hebt die van elkaar gescheiden. Want het zevende deel waar het water verzameld was, kon die beide niet bevatten.
51En U hebt aan Behemoth het ene deel gegeven, dat op de derde dag was gedroogd, opdat hij daarin zou wonen, waar duizend bergen zijn.
52De Leviathan nu hebt U het zevende deel van het water gegeven, en hebt hem bewaard, opdat hij zij tot een verslinding van degene, die U wilt, en wanneer U wilt.
53Op de zesde dag gebood U de aarde, dat zij het grote en kleine vee voor U zou voortbrengen, en de kruipende gedierten.
54En bovendien ook Adam, die U over al Uw schepselen, die U gemaakt hebt, tot een heer hebt gesteld, en uit die komen wij allen voort, ook het volk dat U uitverkoren hebt.
55Dit alles nu heb ik, Heere! voor U gesproken, omdat U om onzentwil de wereld geschapen hebt.
56Maar de andere volken, die van Adam ook geboren zijn, hebt U gezegd dat niets zijn, en zij zijn vergeleken met speeksel, en hun menigte hebt U vergeleken met de druppel, die van een kruik valt.
57En nu Heere, zie die volken, die als niets geacht zijn, beginnen ons te overheersen en te verslinden.
58Maar wij, Uw volk, dat U Uw eerstgeborene en Uw eniggeborene genoemd hebt en waarover U ijvert, zijn in hun handen gegeven.
59Is de wereld nu om onzentwil geschapen, waarom bezitten wij dan niet een erfenis met de wereld? hoe lang zal dit zijn?