Bijbel4 Ezra

4 Ezra 7

Lees 4 Ezra 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De weg die men moet ingaan is smal, 12 en hij verklaart wanneer die smal geworden is. 28 Christus moet geopenbaard worden en sterven. 32 De doden zullen opgewekt worden en het oordeel zal gehouden worden. 46 Van Adam af is de zonde en alle ellende voortgekomen. 53 Het paradijs is niet tevergeefs gemaakt. 62 God is barmhartig en weldadig.

1EN het is gebeurd, als ik geëindigd had deze woorden te spreken, dat de engel tot mij gezonden is, die de eerste nachten tot mij gezonden was.

2En hij zei tot mij: Sta op Ezra, en hoor de woorden, die ik gekomen ben tot u te spreken.

3En ik zei: Spreek mijn God! en hij zei tot mij: De zee is in een diepe plaats gesteld, opdat zij diep en groot zij,

4Maar haar ingang is in een nauwe plaats gesteld, opdat zij aan de rivieren gelijk zou zijn.

5Want wie zou graag in de zee willen gaan, en ze zien en beheersen; als hij niet door het nauwe ging, hoe zou hij in de wijdte kunnen komen?

6Nog een andere gelijkenis: Een stad is gebouwd en gelegen in een vlak veld, en is vol van allerlei goederen;

7De ingang is nauw en op een steilte gelegen, zodat er aan de rechterzijde vuur is, en aan de linkerzijde een diep water;

8Tussen deze nu is alleen een smal pad gelegd, namelijk tussen het vuur en het water, zodat op het pad niet meer dan een mens gaan kan.

9Als nu deze stad iemand tot een erfenis gegeven werd, en hij nooit het voorgestelde gevaar zou doorgaan, hoe zal hij zijn erfenis verkrijgen?

10En ik sprak: Het is zo Heere; en hij zei tot mij: Zo is ook het deel van Israël:

11Want om hunnentwil heb ik de wereld gemaakt, en als Adam mijn voorschriften overtreden heeft, zo is dat geoordeeld, wat gebeurd is.

12En de ingangen van deze wereld zijn nauw geworden, en droevig, en moeilijk; ook weinig in getal, en kwaad, en vol gevaar, en met arbeid zeer bezet.

13Want de grote wereldingangen waren breed, en zeker, en brachten de vrucht van de onsterfelijkheid voort.

14Als dan degenen die leven, niet pogen in te gaan door wat hier nauw en ijdel is, zo kunnen zij niet verkrijgen wat weggelegd is.

15Nu dan, waarom bent u bezorgd, omdat u verderfelijk bent? en waarom bent u beroerd, omdat u sterfelijk bent?

16En waarom hebt u niet ter harte genomen wat toekomend is, maar wat tegenwoordig is?

17En ik antwoordde en zei: O heersende Heer, zie, u hebt in uw wet bestemd, dat de rechtvaardigen deze dingen zouden beërven, en dat de goddelozen zouden vergaan.

18Maar de rechtvaardigen dragen het nauwe, hoewel zij het wijde hopen, want die goddeloos hebben geleefd, die hebben ook het nauwe gedragen, en zullen het wijde niet zien.

19En hij zei tot mij: Daar is geen rechter boven God, en geen verstandige boven de Allerhoogste.

20Want velen gaan tegenwoordig verloren, omdat de wet van God, die voorgesteld is, verzuimd wordt.

21Want God heeft ernstig geboden degenen die komen zouden, als zij kwamen, wat zij zouden doen om te leven, en wat zij zouden onderhouden om niet gestraft te worden.

22Maar zij zijn niet gehoorzaam geweest, en hebben hem wedersproken, en hebben zichzelf ijdele gedachten verdicht.

23En hebben zichzelf bedriegerijen van de zonde voorgesteld, en hebben bovendien tot de Allerhoogste gezegd, dat Hij niet is, en hebben Zijn wegen niet gekend.

24En hebben zijn wet veracht, en zijn beloften verloochend, en hebben zijn rechten niet geloofd, en hebben zijn werken niet volbracht.

25Daarom Ezra, het ledige is voor de ledigen, en het volle voor de vollen.

26Zie, de tijd zal komen, en het zal gebeuren, dat de tekenen, die ik u voorzegd heb, zullen komen: de bruid zal verschijnen, en zij zal openbaar vertoond worden, die nu met aarde overtogen is.

27En een ieder, die van de voorzegde onheilen bevrijd is, zal mijn wonderen zien.

28Want mijn Zoon Jezus zal geopenbaard worden met degenen die bij hem zijn, en die overgebleven zijn, zullen zich vervrolijken in vierhonderd jaren.

29En na die jaren zal mijn Zoon Christus sterven, en alle mensen die adem hebben.

30En de wereld zal terugkeren tot het oude stilzwijgen, zeven dagen lang, zoals in de voorgaande oordelen, zodat niemand zal overgelaten worden.

31En het zal na zeven dagen gebeuren, dat de wereld die nog niet ontwaakt is, zal opgewekt worden, en wat verdorven is, zal sterven.

32En de aarde zal wedergeven die in haar slapen, en het stof degenen die daarin met stilte wonen, en de binnenkameren zullen de zielen wedergeven, die hun toevertrouwd zijn.

33En de Allerhoogste zal geopenbaard worden op de rechterstoel, en de ellende zal voorbijgaan, en de lankmoedigen zullen verzameld worden.

34Het recht nu zal allen overblijven; de waarheid zal bestaan, en het geloof zal sterk worden.

35En het werk zal hen navolgen, en het loon zal vertoond worden; de gerechtigheid zal opwaken en de ongerechtigheid zal niet heersen.

36En ik zei: Abraham heeft eerst voor de Sodomieten gebeden, en Mozes voor de vaders, die in de woestijn gezondigd hebben.

37En die na hem geweest zijn voor Israël, ten tijde van Achan en Samuël.

38David voor die grote slachting, en Salomo voor degenen, die kwamen om geheiligd te worden.

39En Elia voor degenen, die de regen ontvingen, en voor degene, die dood was, dat hij leven mocht;

40En Ezechias voor het volk ten tijde van Sanherib, en anderen, velen voor velen.

41Als dan nu, wanneer de verdorvenheid toegenomen is, en de ongerechtigheid vermenigvuldigd is, ook de rechtvaardigen voor de goddelozen bidden, waarom zal het ook nu zo niet zijn?

42En hij antwoordde en zei tot mij: De tegenwoordige eeuw is niet het einde, veel heerlijkheid blijft nog in deze; daarom hebben zij voor de zwakken gebeden.

43Maar de dag van het oordeel zal het einde zijn van deze tijd en het begin van de tijd van de toekomende onsterfelijkheid, waarin de verdorvenheid voorbijgegaan zal zijn.

44De onmatigheid is losgemaakt, en het ongeloof is afgesneden, maar de gerechtigheid is toegenomen en de waarheid is opgestaan.

45Want dan zal niemand die kunnen zalig maken die verloren is, noch tenonderbrengen, die overwonnen heeft.

46Toen antwoordde ik, en zei: Dit is mijn eerste en laatste reden, dat het beter was geweest aan Adam de aarde niet te geven, of als hij die hem gegeven had, hem te beletten dat hij niet zou zondigen.

47Want wat baat het de mensen tegenwoordig te leven in verdriet, en als zij dood zijn de straf te verwachten?

48O Adam, wat hebt u gedaan? want zo u gezondigd hebt, de val is niet alleen de uwe geweest, maar ook de onze, die van u zijn gekomen.

49Want wat baat het ons, als ons een onsterfelijke tijd toegezegd is, en wij toch dodelijke werken gedaan hebben?

50En dat ons een eeuwige hoop is voorzegd, en wij toch boos en ijdel geworden zijn?

51En dat ons weggelegd zijn woningen van de gezondheid, en van de zekerheid, en wij toch kwalijk geleefd hebben?

52En dat de eer van de Allerhoogste bewaard wordt, om hen te beschermen, die volhardende geleefd hebben, en wij toch in de kwaadste wegen gewandeld hebben?

53En dat het paradijs getoond wordt, waarvan de vrucht onvergankelijk blijft, waarin zekerheid en heilzaamheid is, en wij daar niet ingaan?

54Want wij hebben in onaangename plaatsen gewandeld.

55En dat de aangezichten van degenen, die zich onthouden hebben, blinken zullen boven de sterren, en toch onze aangezichten zwart zullen zijn boven de duisternis?

56Want wij hebben, toen wij leefden, niet gedacht als wij de ongerechtigheid deden, dat wij na de dood zouden beginnen te lijden.

57En hij antwoordde en zei: Dit is de bedenking van de strijd, die de mens op aarde geboren, moet strijden,

58Opdat hij lijde wat u gezegd hebt, als hij overwonnen wordt, maar als hij overwint, zo zal hij ontvangen wat ik zeg.

59Want dit is dat leven, waarvan Mozes sprak tot het volk, toen hij leefde, en zei: Kies het leven, opdat u leeft.

60Maar zij hebben hem niet geloofd, noch ook de profeten na hem, ja ook niet mij, die tot hen gezegd heeft,

61Dat het verdriet niet zou zijn tot hun verderf, zoals de blijdschap toekomende is over degenen wie de zaligheid verzekerd is.

62En ik antwoordde en zei: Ik weet Heere dat de Allerhoogste daarom barmhartig genoemd is, omdat Hij zich over hen ontfermt, die nog in de wereld niet zijn gekomen,

63En dat hij zich ontfermt over degenen die zich bekeren tot zijn wet.

64En dat hij geduldig is; want hij bewijst geduld aan degenen, die gezondigd hebben, als zijn schepselen.

65En dat hij weldadig is; want hij wil geven naar wat nodig is.

66En dat hij van grote barmhartigheid is, want hij bewijst veelvuldige barmhartigheid aan degenen die tegenwoordig zijn, en die voorbij zijn, en nog zijn zullen.

67Want zo hij zijn veelvuldige barmhartigheid niet bewees, zo zou de wereld niet levend worden gemaakt, met degenen, die daarin erfenis zullen hebben.

68En hij vergeeft; want als hij niet vergaf naar zijn goedheid, opdat degenen, die ongerechtigheid gedaan hebben, van hun ongerechtigheden werden verlicht, zo zou het tienduizendste deel van de mensen niet levend gemaakt worden.

69En als de Rechter niet vergaf aan degenen, die door zijn woord zijn geheeld, en niet uitwiste de menigte van de twistingen,

70Zo zouden mogelijk van een ontelbare menigte niet dan zeer weinigen overgelaten worden.