Bijbel4 Ezra

4 Ezra 8

Lees 4 Ezra 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Velen zijn er geschapen, maar weinigen worden behouden. 6 Hij vraagt hoe het komt dat God zijn eigen werk verderft, 26 en bidt God dat Hij wil zien op het volk dat Hem alleen dient. 52 God antwoordt dat het paradijs niet voor allen, maar voor hen bereid is die Hem oprecht dienen.

1EN hij antwoordde en zei tot mij: De Allerhoogste heeft deze wereld gemaakt voor velen, maar de toekomende voor weinigen.

2Maar, Ezra! ik zal u een gelijkenis zeggen: Het is even alsof u de aarde vroegt, en zij u zou zeggen dat zij zeer veel aarde geeft, waaruit een aarden pot gemaakt kan worden, maar weinig stofs waaruit het goud gemaakt wordt; zo is het ook met de stand van de tegenwoordige wereld.

3Daar zijn wel velen geschapen, maar weinigen worden behouden.

4En ik antwoordde en zei: Nu dan mijn ziel, verslind de zin, en verzwelg het verstand.

5Want u bent overeengekomen toe te luisteren, en wilt profeteren, en u is niet meer tijds gegeven, dan alleen dit leven.

6O Heere, zo U Uw knecht niet toelaat, dat wij voor Uw aangezicht bidden, en dat U ons zaad in het hart geeft, en bouwing aan onze zinnen, waaruit vrucht mag voortkomen, vanwaar zal een ieder die verdorven is kunnen leven, die de plaats van een mens beslaat?

7Want U bent alleen, en wij zijn maar een schepping van Uw handen, zoals U gesproken hebt.

8En zoals nu het lichaam in de baarmoeder geschapen is, en U het zijn leden geeft, zo wordt Uw schepsel als in vuur en water bewaard, en Uw werk dat U gemaakt hebt, draagt negen maanden Uw schepsel, dat daarin geschapen is.

9Hetzelfde nu dat bewaart, en dat bewaard wordt, zal beide met elkaar bewaard worden, en bewaard zijnde, zo geeft de baarmoeder te haar tijd weer wat in haar gewassen is.

10Want U hebt ook de leden zelf, namelijk de borsten, bevolen melk te geven aan de vrucht van de borsten;

11Opdat wat geschapen is voor een tijd gevoed wordt, en U het daarna van Uw barmhartigheid beveelt.

12U brengt hem op door Uw gerechtigheid, en onderricht hem in Uw wet en tuchtigt hem door Uw wijsheid.

13En U doodt hem als Uw schepsel, en maakt hem levend als Uw werk.

14Als U dan die verderft, die met zo grote moeite is voortgebracht, zo is het door Uw bevel gemakkelijk te ordineren, dat behouden wordt wat gemaakt is.

15En nu, Heere, van alle mensen weet U het best, maar veel meer zal ik spreken van Uw volk, omdat ik treurig ben,

16En van Uw erfenis, om welke ik leed draag, en van Israël, om welke ik smart lijd, en van Jakob, om wie ik mij bedroef.

17Daarom zal ik voor Uw aangezicht beginnen te bidden voor mij en voor hen; want ik zie de overtredingen van ons die op aarde wonen;

18Maar ik heb de snelheid gehoord van de Rechter, die komende is.

19Daarom hoor mijn stem, en versta mijn reden, en ik zal voor U spreken.

20Het begin van de woorden van Ezra, voordat hij werd opgenomen. En ik zei: Heere, die de eeuwigheid bewoont, van wie de ogen in de hoogte verheven zijn, en in de lucht neerzien;

21Van wie de troon onmetelijk, en van wie de heerlijkheid onbegrijpelijk is; voor wie het heerleger van de engelen sidderend staat.

22Van wie de opmerking zich keert met wind en vuur; van wie het woord waarachtig, en van wie de redenen standvastig zijn;

23Van wie het bevel sterk, en van wie de ordening verschrikkelijk is; van wie het aanschouwen de afgronden uitdroogt; en van wie de toorn de bergen doet verdwijnen, zoals de waarheid getuigt.

24Verhoor het gebed van Uw dienaar, en vat met Uw oren de smeking van Uw maaksel.

25Want omdat ik leef, zo zal ik spreken, en omdat ik vernuft heb, zo zal ik antwoorden.

26En zie niet aan de misdaden van Uw volk, maar zie degenen aan, die U in waarheid dienen.

27En let niet op het goddeloze van de heidenen, maar op degenen, die Uw getuigenissen met smarten onderhouden.

28En gedenk niet aan degenen, die vals voor U hebben gewandeld, maar aan degenen die naar Uw wil Uw vrees bekend hebben.

29En wil niet verderven degenen, die als vee geleefd hebben; maar zie die aan, die Uw wet heerlijk geleerd hebben.

30En vertoorn U niet over degenen, die erger dan beesten geoordeeld zijn: maar heb die lief, die altijd op Uw gerechtigheid en heerlijkheid betrouwen.

31Want wij en onze vaders zijn ziek van zulke tekortkomingen, maar U wordt barmhartig genoemd om onzentwil, die zondaren zijn.

32Want zo U begerig bent Zich over ons te ontfermen, dan zult U barmhartig genoemd worden, over ons namelijk, die geen werken van de gerechtigheid hebben.

33Want de rechtvaardigen, wie vele werken weggelegd zijn, zullen uit hun werken het loon ontvangen.

34Maar wat is de mens, dat U Zich over hem zou vertoornen, of het verderfelijk geslacht, dat U daartegen zo verbitterd zou zijn?

35Want in waarheid, daar is niemand van die geboren zijn, die niet goddeloos heeft gehandeld, en van degenen die U belijden, die niet misdaan heeft.

36Want daarin zal Uw gerechtigheid en Uw goedheid verkondigd worden, Heere, wanneer U Zich zult ontfermen over degenen, die het wezen van de goede werken niet hebben.

37En hij antwoordde en zei tot mij: U hebt sommige dingen recht gesproken, en naar uw redenen zal het ook gebeuren.

38Want ik zal werkelijk niet gedenken aan het werk van degenen, die gezondigd hebben, vóór de dood, vóór het oordeel, en vóór het verderf.

39Maar ik zal vreugde hebben over het pogen van de rechtvaardigen, en ik zal ook gedenken aan hun vreemdelingschap, aan hun behoudenis, en aan het ontvangen van het loon.

40Zoals ik dan gesproken heb, zo is het ook.

41Want zoals de landman op de aarde veel zaad zaait, en vele planten plant, maar alle die in de tijd gezaaid zijn niet worden behouden, noch alle, die geplant zijn wortels krijgen, zo ook alle, die in de wereld gezaaid zijn, worden niet behouden.

42En ik antwoordde, en zei: Als ik genade gevonden heb, zo laat mij spreken.

43Zoals het zaad van de landman verloren gaat als het niet opkomt, of uw regen intijds niet ontvangt, of als het door de veelheid van de regen verderft,

44Zo gaat ook evenzo verloren de mens, die door uw handen is geschapen, en bent hem een evenbeeld genoemd, omdat u hem gelijk bent, om wie u alle dingen hebt geschapen, en die u het zaad van de landman gelijk gemaakt hebt.

45En vertoorn u niet over ons, maar spaar uw volk, en ontferm u over uw erfdeel; want u ontfermt u over uw schepsel.

46En hij antwoordde en zei tot mij: De tegenwoordige dingen zijn voor de tegenwoordige, maar de toekomstige voor de toekomstige.

47Want u ontbreekt nog veel, dat u mijn schepsel zou liefhebben meer dan ik: maar ik ben u en hetzelfde dikwijls genaderd, maar de onrechtvaardige nooit.

48Maar ook daarin bent u wonderlijk voor de Allerhoogste;

49Omdat u zich vernederd hebt, zoals het u past, en hebt u zelf niet waard geoordeeld, dat u onder de rechtvaardigen zeer zou verheerlijkt worden.

50Daarom zal vele en jammerlijke ellende hun overkomen, die de wereld in de laatste tijden zullen bewonen, omdat zij in vele hoovaardij gewandeld hebben.

51Maar u, versta dit voor u zelf, en onderzoek de heerlijkheid van degenen, die u gelijk zijn.

52Want u is het paradijs geopend, de boom van het leven geplant, de toekomende tijd bereid, de overvloed toebereid, de stad gebouwd, de rust beproefd, de goedheid volmaakt, en de wijsheid voltrokken.

53De wortel van het kwaad is ver van u verzegeld, de zwakheid en mot is van voor u verborgen, en de verderfenis is naar het dodenrijk gevlucht in vergetelheid.

54De smarten zijn vergaan, en de schat van de onsterfelijkheid is aan het einde getoond.

55Daarom wil niet verder vragen van de veelheid van degenen, die verloren gaan.

56Want zij hebben hun vrijheid aangenomen, en de Allerhoogste veracht, en hebben Zijn wet versmaad, en Zijn wegen verlaten.

57Daarenboven hebben zij de rechtvaardigen met voeten vertreden.

58En hebben in hun hart gezegd, dat er geen God is, daar zij toch weten dat zij sterven moeten.

59Want zoals u zal overkomen wat tevoren gezegd is, zo zal hun dorst en smart overkomen, die hun toebereid zijn. Want hij heeft niet gewild, dat de mens teniet zou worden.

60Maar ook zij, die geschapen zijn, hebben de naam bevlekt van degene die hen gemaakt heeft, en zijn ondankbaar geweest tegen die, die hun het leven bereid had.

61En daarom nadert nu mijn oordeel.

62Dat vertoon ik niet aan allen, maar aan u, en andere weinigen, die u gelijk zijn. En ik antwoordde, en zei:

63Zie, Heere, nu hebt u mij de veelheid van de tekenen getoond, die u in de laatste dagen zult beginnen te doen, maar u hebt mij niet getoond wanneer en op welke tijd.