4 Ezra 9
Lees 4 Ezra 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Dat alles wat in de wereld is een begin en een einde heeft. 7 Wie verdoemd en wie behouden zullen worden. 15 Dat het getal van hen die verdoemd worden groter is dan van hen die behouden worden. 33 Hij beklaagt dat zij die de wet van God houden, omkomen. 38 En hij ziet een vrouw wenend in een open veld.
1TOEN antwoordde hij, en zei tot mij: Meet vlijtig de tijd in zich zelf, en het zal gebeuren, wanneer een deel van de tekenen, die voorzegd zijn, zal voorbij gegaan zijn,
2Dat u dan zult verstaan, dat deze de tijd is, waarin de Allerhoogste zal beginnen te bezoeken de wereld, die door Hem gemaakt is.
3En wanneer in de wereld aardbevingen zullen gezien worden, en onlusten van de volken,
4Dan zult u verstaan, dat de Allerhoogste hiervan gesproken heeft, van de dagen aan, die voor u van de beginne geweest zijn.
5Want zoals al wat in de wereld gemaakt is een begin heeft, zo heeft het ook een einde, en dat einde is openbaar.
6Zo hebben ook de tijden van de Allerhoogste openbare beginselen in wonderen en tekenen, en hun einden in werkingen, en in tekenen.
7En het zal gebeuren dat een ieder die behouden zal worden, en die door zijn werken zal kunnen ontvluchten, en door het geloof waarmee u geloofd hebt,
8Dat hij (zeg ik) zal bevrijd worden van de voorzegde gevaren, en hij zal mijn zaligheid zien in mijn land, en in mijn grenzen; want ik heb mij die geheiligd van de eeuwen aan.
9Dan zullen niet ontfermd worden, die mijn wegen misbruikt hebben, en die zullen in pijn wonen, die ze verworpen en veracht hebben.
10Want die mij niet gekend hebben, toen zij in het leven weldaden ontvingen.
11En die van mijn wet een walg gehad hebben, toen zij nog vrijheid hadden,
12En toen hun nog plaats van berouw open was, die het niet verstonden, maar verachtten het, deze moeten het na de dood in de pijn leren kennen.
13Zo dan, wees niet meer bezorgd hoe de goddelozen zullen gepijnigd worden; maar onderzoek hoe de rechtvaardigen, voor wie en om welke die wereld zal zijn, zullen zalig worden en wanneer.
14En ik antwoordde en sprak: Ik heb voor deze gezegd, en ik zeg het nu, en ik zal het ook hierna zeggen,
15Dat er meer in getal zijn die verloren gaan, dan die behouden worden, zoals de watergolf meerder is dan de druppel.
16En hij antwoordde en sprak tot mij:
17Zoals het veld is, zo zijn ook de zaden; en zoals de bloemen zijn, zo zijn ook de kleuren; en zoals de arbeider is, zo is ook het werk; en zoals de landman is, zo is ook de landbouw; want het was de tijd van de wereld.
18Werkelijk, als ik voor degenen, die nu zijn, de wereld bereidde die nog niet was geschapen om te bouwen, zo wedersprak mij niemand.
19Want een ieder was toen gehoorzaam, maar nu zijn de zeden van degenen, die geschapen zijn in deze wereld, nadat zij gemaakt was, verdorven geworden door een oogst, die niet ophoudt, en door een wet die niet kan doorgrond worden.
20En ik heb de wereld aangemerkt, en ziet, daar was gevaar vanwege de gedachten, die daarin waren voortgekomen.
21En ik heb gezien, en heb hen zeer gespaard, en heb mij een wijnbezie van een druiftak behouden, en een planting uit vele geslachten.
22Dat dan de menigte verloren ga, die zonder oorzaak voortgekomen is; en dat mijn wijnbezie en mijn planting behouden worden, want ik heb ze met veel arbeid volmaakt.
23Maar u, als u nog andere zeven dagen wacht, (maar u zult daarin niet vasten),
24Zo zult u gaan op een veld van bloemen, waarop geen huis is gebouwd, en u zult alleen eten van de bloemen van het veld, en zult geen vlees smaken, en geen wijn drinken, maar alleen de bloemen eten.
25En bid de Allerhoogste zonder ophouden, zo zal ik komen en met u spreken.
26En ik ben heengegaan, zoals hij mij gezegd had, in het veld dat Ardath heet, en ik zat daar in de bloemen; en ik at van het kruid van de akker, en ik werd van zijn voedsel verzadigd.
27En het is gebeurd na zeven dagen, dat ik neerzat op het gras, en mijn hart werd weer beroerd als tevoren.
28En mijn mond werd geopend, en ik begon te spreken voor de Allerhoogste:
29O Heere, toen U Uzelf ons vertoonde, bent U onze vaders openbaar geworden in de woestijn in een onvruchtbare plaats, die van niemand wordt betreden, toen zij uit Egypte trokken, en hebt hun ernstig gezegd:
30Israël, hoor Mij, en zaad van Jakob, luister naar Mijn reden.
31Want ziet, Ik zaai Mijn wet in u, en zij zal in u vrucht voortbrengen, en u zult daarin verheerlijkt worden in eeuwigheid.
32Maar onze vaders, die de wet ontvingen, hebben ze niet gehouden, en zij hebben mijn rechten niet bewaard, en de vrucht van de wet is niet openbaar geworden, en zij kon ook niet, want zij was de Uwe.
33Want die ze ontvangen hebben, zijn verloren gegaan, omdat zij niet bewaarden wat in hen gezaaid was.
34En ziet, het is een gewoonte, als de aarde het zaad ontvangen heeft, of de zee een schip, of een voorwerp het voedsel en de drank, wanneer wat verbroken wordt waarin gezaaid of gedaan is,
35Dat wat gezaaid, of daarin gedaan, of ontvangen is, meteen ook verbroken wordt, en wat daarin ontvangen is blijft nu niet meer bij ons;
36Maar ons is het zo niet gebeurd, want wij die de wet ontvangen hebben, vergaan wel als wij zondigen, en ook ons hart dat ze ontvangen heeft,
37Maar de wet is niet vergaan, maar is gebleven in haar werking.
38En als ik deze dingen in mijn hart sprak, zo zag ik om met mijn ogen, en ik zag een vrouw aan de rechterzijde, en zie, zij treurde en huilde met luide stem, en zij was zeer bedroefd in haar geest, en haar kleren waren gescheurd, en daar was as op haar hoofd.
39Toen liet ik mijn gedachten varen, waarin ik was, en ik keerde mij tot haar, en zei:
40Waarom weent u? en waarom bent u bedroefd in uw geest? en zij zei tot mij:
41Laat van mij af, Heer, opdat ik mag huilen, en in mijn verdriet voortgaan, want ik ben zeer ontsteld van geest, en ben zeer vernederd.
42En ik zei tot haar: Wat is u overkomen? zeg het mij toch.
43En zij zei tot mij: Ik, uw dienstmaagd was onvruchtbaar en had geen kinderen gebaard, hoewel ik dertig jaren een man gehad had.
44En ik heb alle uren, en alle dagen, en alle jaren, deze dertig jaren lang, dag en nacht de Allerhoogste gebeden,
45En het is gebeurd na dertig jaren, dat God mij, uw dienstmaagd verhoord heeft, en Hij heeft mijn vernedering gezien, en Hij heeft mijn angst aangemerkt, en Hij heeft mij een zoon gegeven, en wij hebben grote vreugde over hem gehad, ik en mijn man, en al mijn medeburgers, en wij vereerden de almachtige God zeer.
46En ik voedde hem op met grote arbeid.
47En toen hij opgegroeid was, en de tijd gekomen was, dat hij een vrouw zou nemen, zo heb ik een maaltijd toebereid.