BijbelAmos

Amos 6

Lees Amos 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wee, en gevangenschap, over de voornaamsten van Sion en Samaria, vanwege hun vleselijke zekerheid, goddeloze dartelheid en overdaad, vers 1, enz. God zweert dat Hij de stad, met alles wat erin is, aan de vijand zal overgeven, en wie overblijft door Zijn plagen zal doen verdwijnen, zonder groten of kleinen te sparen, 7. om Israëls domme verkeerdheid of hardnekkigheid en dwaze hoogmoed zal God een verdrukkende vijand over hen zenden, 12.

1Wee de gerusten te Sion, en de zekeren op de berg van Samaria! die de voornaamste zijn van de eerstelingen van de volken, en tot die die van het huis van Israël komen.

2Ga over naar Kalne, en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath, de grote stad, en trekt af naar Gath van de Filistijnen; of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hun gebied groter dan uw gebied?

3U, die de boze dag verre stelt, en de stoel van het geweld nabij brengt.

4Die daar liggen op ivoren bedsteden, en weelderig zijn op hun koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van de meststal.

5Die op het geklank van de luit kwinkeleren, en bedenken zichzelf instrumenten van de muziek, zoals David;

6Die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar geven niets om de verbreking van Jozef.

7Daarom zullen zij nu als gevangene heengaan onder de voorsten, die in gevangenis gaan; en het banket van degenen, die weelderig zijn, zal wegwijken.

8De Adonai JAHWEH heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt JAHWEH, de God van de legermachten): Ik heb een gruwel van Jakobs hoogmoed, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren.

9En het zal gebeuren, zo er tien mannen in enig huis zullen overgelaten zijn, dat zij sterven zullen.

10En de naaste vriend zal ieder van die opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot die, die binnen de zijden van het huis is: Zijn er nog meer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg! want zij waren niet om van JAHWEH Naam te vermelden.

11Want zie, JAHWEH geeft bevel, en Hij zal het grote huis slaan met inwatering, en het kleine huis met spleten.

12Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want u hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht van de gerechtigheid in alsem.

13U, die blij bent over een nietig ding; u, die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen?

14Want ziet, Ik zal over u, o huis van Israël! een volk verwekken, spreekt JAHWEH, de God van de legermachten; die zullen u drukken, van daar men komt te Hamath, tot aan de beek van de wildernis.