Amos 7
Lees Amos 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Door drie gezichten - het eerste van sprinkhanen, vers 1, enz. het tweede van een verterend vuur, 4. in welke beide straffen God de voorbidding van de profeet aanneemt, en het derde van een paslood of richtsnoer, 7. - wordt afgebeeld dat God, na lang geduld, Israël niet meer wil sparen en de nakomelingen van de koning zal uitroeien, 8. De priester Amazia beklaagt Amos bij de koning van samenzwering en oproer, 10. gebiedt hem dat hij zich van Bethel zal wegpakken naar Juda, 12. maar Amos verdedigt zich met Gods roeping en zegt Amazia en de zijnen Gods oordeel aan, 14.
1Adonai JAHWEH deed mij zo zien; en ziet, Hij vormde sprinkhanen, in het begin van het opkomen van het nagras; en ziet, het was het nagras, na de afmaaiingen van de koning.
2En het gebeurde, als zij het kruid van het land geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zei: Adonai JAHWEH! vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!
3Toen berouwde dat JAHWEH; het zal niet gebeuren, zei JAHWEH.
4Verder deed mij Adonai JAHWEH zo zien; en ziet, Adonai JAHWEH riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een grote afgrond, ook verteerde het een stuk lands.
5Toen zei ik: Adonai JAHWEH! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!
6Toen berouwde dat JAHWEH. Ook dit zal niet gebeuren, zei Adonai JAHWEH.
7Nog deed Hij mij zo zien; en ziet, de Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand.
8En JAHWEH zei tot mij: Wat ziet u, Amos? En ik zei: Een paslood. Toen zei JAHWEH: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.
9Maar Izaks hoogten zullen verwoest, en Israëls eigendommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard.
10Toen zond Amazia, de priester te Beth-el, tot Jerobeam, de koning van Israël, zeggende: Amos heeft een samenzwering tegen u gemaakt, in het midden van het huis van Israël; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen.
11Want zo zegt Amos: Jerobeam zal door het zwaard sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land als gevangene worden weggevoerd.
12Daarna zei Amazia tot Amos: U ziener! ga weg, vlucht in het land van Juda, en eet daar brood, en profeteer daar.
13Maar te Beth-el zult u voortaan niet meer profeteren; want dat is het heiligdom van de koning, en dat is het huis van het koninkrijk.
14Toen antwoordde Amos, en zei tot Amazia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af.
15Maar JAHWEH nam mij van achter de kudde; en JAHWEH zei tot mij: Ga heen, profeteer tot Mijn volk Israël.
16Nu dan, hoor het woord van JAHWEH: U zegt: U zult niet profeteren tegen Israël, noch druppen tegen het huis van Izak.
17Daarom zegt JAHWEH zo: Uw vrouw zal in de stad ontucht plegen, en uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door het snoer uitgedeeld worden; en u zult in een onrein land sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land als gevangene worden weggevoerd.