BijbelBaruch

Baruch 1

Lees Baruch 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Baruch schrijft een boek in Babylonië, 3 en leest het voor aan koning Jechonja en aan het volk, 5 dat, terwijl het dit hoort, weent en vast. 6 De Joden zenden geld naar Jeruzalem, 10 om te offeren. 11 Vermanen hen te bidden voor Nebukadnezar, 14 en dit boek te lezen, 15 en hun zonden te belijden.

1DIT zijn de redenen van het boek, die Baruch, de zoon van Neria, de zoon Mahasia, de zoon van Zedekia, de zoon Asadia, de zoon van Chelkia, geschreven heeft in Babylonië.

2In het vijfde jaar, de zevende dag van de maand, op die tijd, waarin de Chaldeeën Jeruzalem ingenomen, en het met vuur verbrand hebben.

3En Baruch las de redenen van dit boek voor de oren van Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda;

4En voor de oren van het hele volk, dat tot dat boek kwam; en voor de oren van de machtigen, en van de zonen van de koningen; en voor de oren van de oudsten, en voor de oren van het hele volk, van de kleinen tot de groten, voor allen die woonden in Babylonië bij de rivier Sud.

5En zij huilden en vastten, en baden tot Heere;

6En zij verzamelden geld, naar dat een ieders hand kon dragen.

7En zij zonden het naar Jeruzalem, aan Jojakim, de zoon van Chelkia, de zoon van Salom, de priester; en aan de priesters, en aan al het volk, dat met hem te Jeruzalem gevonden werd;

8Wanneer hij de voorwerpen van het huis van Heere ontvangen had, die uit de tempel weggevoerd waren; om die weer te brengen in het land Juda, op de tiende dag van de Maand Sivan; namelijk de zilveren voorwerpen, die Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, gemaakt had.

9Nadat Nabuchodonosor, de koning te Babel, van Jeruzalem weggevoerd had, Jechonia en de oversten, en de gevangenen, en de machtigen, en het volk van het land, en het naar Babel gebracht had.

10En zij zeiden: Ziet wij zenden u geld over; koopt met dit geld brandoffer, en zondoffer, en wierook, en bereidt voedseloffer, en offert op het altaar van Heere onze God.

11En bidt voor het leven van Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om het leven van Balthazar, zijn zoon; opdat hun dagen zijn mogen zoals de dagen van de hemel op de aarde.

12Zo zal Heere ons sterkte geven, en zal onze ogen verlichten, en wij zullen leven onder de schaduw van Nabuchodonosor, de koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen, en genade voor hen vinden.

13Bid ook voor ons, tot Heere onze God, want wij hebben tegen Heere onze God gezondigd, en de toorn van Heere en Zijn gramschap is van ons niet afgewend tot op deze dag.

14En u zult dit boek lezen, dat wij tot u gezonden hebben, om in het huis van Heere openlijk voor te lezen, op de feestdag en op het juiste tijdstip.

15En spreekt zo: Bij Heere onze God is gerechtigheid, maar bij ons is schaamte van het aangezicht, zoals het te deze dage gaat de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem:

16En onze koningen, en onze oversten, en onze priesters, en onze profeten, en onze vaders;

17Vanwege de zonden, die wij voor Heere begaan hebben;

18En wij zijn Hem ongehoorzaam geweest, en hebben de stem van Heere onze God niet gehoord, om te wandelen naar de bevelen van Heere, die Hij voor ons aangezicht gegeven had.

19Van de dag af, op welke Heere onze vaders uit Egypte land geleid heeft, tot op deze dag toe, zijn wij ongehoorzaam geweest tegen Heere onze God, en zijn snel geweest om Zijn stem niet te horen.

20En aan ons zijn gekleefd de ellenden, en de vervloeking, die Heere bestemd had door Mozes, Zijn knecht, op de dag, waarop Hij onze vaders uitgeleid heeft uit het land van Egypte, om ons te geven een land dat vloeide van melk en honing, zoals het op deze dag is.

21En wij hebben de stem van Heere onze God niet gehoord, naar al de woorden van de profeten, die Hij tot ons heeft gezonden.

22Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de gedachten van zijn boos hart, om andere goden te offeren, en kwaad te doen voor de ogen van Heere onze God.