Baruch 2
Lees Baruch 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De Joden in Babylonië belijden dat zij om hun zonden weggevoerd zijn, 11 en bidden om genade, 31 steunend op de beloften van God en op Zijn verbond met de voorvaderen opgericht.
1EN Heere heeft Zijn Woord bevestigd, dat Hij over ons gesproken had, en over onze rechters, die Israël gericht hebben, en over onze koningen, en over onze oversten, en over de mannen van Israël en Juda.
2Dat Hij over ons grote ellende liet komen, zoals Hij niet heeft gedaan onder de hele hemel, zoals Hij gedaan heeft te Jeruzalem, naar dat geschreven is in de wet van Mozes;
3Zodat wij eten zouden, de één het vlees van zijn zoon, en de ander het vlees van zijn dochter.
4Hij heeft hen overgegeven om knechten te zijn in al de koninkrijken, die rondom ons liggen; tot een versmaadheid en verwoesting onder alle volken die rondom ons zijn, waaronder Heere hen verstrooid heeft.
5Zij zijn ten onder gekomen, en niet boven; omdat wij ons verzondigd hebben aan Heere onze God, zodat wij Zijn stem niet hebben gehoord.
6Bij Heere onze God is de rechtvaardigheid, maar bij ons en onze vaders de schaamte van de aangezichten, zoals deze dag zelf uitwijst.
7Al wat Heere over ons gesproken heeft, dat kwaad is over ons gekomen.
8En wij hebben het aangezicht van Heere niet gesmeekt, dat zich een ieder zou afgekeerd hebben van de gedachten van zijn boze harten.
9En Heere is wakker geweest in de straffen, en Heere heeft die over ons gebracht, want Heere is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij ons heeft geboden.
10Maar wij hoorden Zijn stem niet, om te wandelen in de bevelen van Heere, die Hij gegeven had voor ons aangezicht.
11En nu Heere, U God van Israël, die Uw volk uit Egypteland geleid hebt met sterke hand, en met tekenen, en met wonderen, en met grote kracht, en met hoge arm, en hebt U een naam gemaakt, zoals deze dag uitwijst.
12Wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest, wij hebben onrecht gedaan, Heere onze God, tegen al Uw voorschriften.
13Laat Uw toorn van ons keren, want wij zijn weinigen overgebleven onder de heidenen, waarheen U ons verstrooid hebt.
14Verhoor, Heere, ons gebed en onze smeking, en trek ons hieruit om Uwentwil, en geef ons genade voor het aangezicht van degenen, die ons weggevoerd hebben.
15Opdat de hele aardbodem wete, dat U Heere onze God bent, en dat Israël en zijn geslacht naar Uw naam genoemd wordt.
16Heere zie neer uit Uw heilig huis, en gedenk aan ons, en neig, Heere, Uw oor, en hoor.
17Doe Uw ogen open Heere, en zie, want de doden in het graf, van wie de geest van hun ingewanden weggenomen is, zullen Heere de prijs van de heerlijkheid en rechtvaardigheid niet geven.
18Maar de ziel, die enorm bedroefd is, de geest die gebogen en zwak daarheen gaat, de ogen die bezwijken, en de ziel die hongerig is, zullen U, Heere, de prijs van de heerlijkheid en van de gerechtigheid geven.
19Want wij storten ons erbarmelijk gebed, o Heere onze God, niet uit voor Uw aangezicht, vanwege de rechtvaardigheid van onze vaders en van onze koningen.
20Want U hebt Uw toorn en gramschap over ons gebracht, zoals U gesproken hebt door de dienst van Uw knechten, de profeten zeggende:
21Zo spreekt Heere: Neig uw schouder om de koning van Babylonië te dienen, zo zult u blijven zitten in het land dat Ik uw vaders gegeven heb.
22En als u de stem van Heere niet zult horen, om de koning van Babylonië te dienen,
23Zo zal Ik maken, dat uit de steden van Juda en buiten Jeruzalem ophoude de stem van de vreugde, en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom, en de stem van de bruid, en het hele land zal woest worden van inwoners.
24Maar wij hebben Uw stem niet gehoord, om de koning van Babylonië te dienen; daarom hebt U Uw woorden bevestigd, die U gesproken had door de dienst van Uw knechten, de profeten, dat de gebeenten van onze koningen, en de gebeenten van onze vaders zouden gebracht worden uit hun plaats.
25Zie, zij zijn uitgeworpen voor de hitte van de dag en voor de koude van de nacht, en zij zijn gestorven in zware moeiten, door honger en door zwaard, en door wegvoering.
26U hebt het huis, waarin Uw naam was aangeroepen, gemaakt zoals het te deze dage is, vanwege de boosheid van het huis van Israël, en van het huis van Juda.
27U hebt met ons gedaan, Heere onze God, naar al Uw eerlijkheid, en naar al Uw grote barmhartigheid.
28Zoals U gesproken hebt door de dienst van Uw knecht Mozes, in die dag als U hem bevolen hebt Uw wet te schrijven voor de Israëlieten, zeggende:
29Als u Mijn stem niet zult horen, zo zal werkelijk deze hoop, die groot en veel is, veranderen in weinigen onder de heidenen, waarheen Ik hen verstrooien zal.
30Want Ik weet dat zij Mij niet zullen horen, omdat het een hardnekkig volk is.
31Maar zij zullen tot zichzelf inkeren in het land van hun wegvoering, en zij zullen erkennen, dat Ik Heere hun God ben, en Ik zal hun een hart geven, en oren die horen.
32Zij zullen Mij prijzen in het land van hun wegvoering, en zullen aan Mijn naam denken.
33En zij zullen zich bekeren van hun hardnekkigheid, en van hun boze werken, want zij zullen gedenken aan de weg van hun vaders, die gezondigd hebben voor Heere.
34En Ik zal hen doen terugkeren in het land dat Ik hun vaders Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen heb, en zij zullen daarover heersen, en Ik zal hen vermenigvuldigen, en zij zullen niet verminderen.
35En Ik zal hun een eeuwig verbond bevestigen, namelijk dat Ik hun zal zijn tot een God, en zij zullen Mij zijn tot een volk; en Ik zal Mijn volk Israël niet meer verdrijven uit het land, dat Ik hun gegeven heb.