BijbelBaruch

Baruch 3

Lees Baruch 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Vervolg van het gebed en van de belijdenis van de Joden, vervat in het boek dat door Baruch geschreven en naar Jeruzalem gezonden is. 14 Dat de wijsheid niet te vinden is bij de heidenen, 24 maar dat God haar geopenbaard heeft aan de Israëlieten.

1ALMACHTIGE Heere, U God van Israël, een ziel die in benauwdheid is, en een angstige geest roept tot U.

2Hoor Heere, en wees genadig, want wij hebben voor U gezondigd.

3Want U bent gezeten in alle eeuwen, en wij vergaan in alle eeuwen.

4Almachtige Heere, U God van Israël, hoor toch het gebed van de gestorvenen van Israël, en van de kinderen die voor U gezondigd hebben, die de stem van Heere hun God niet gehoord hebben, daarom hebben ons ook deze ellenden aangekleefd.

5Gedenk niet de ongerechtigheden van onze vaders, maar gedenk aan Uw hand en aan Uw naam te dezer tijd.

6Want U bent Heere onze God, en wij zullen U loven, Heere.

7Want daarom hebt U Uw vrees gegeven in onze harten, opdat wij Uw naam zouden aanroepen, en wij zullen U loven in onze vreemdelingschap, en wij hebben ter harte genomen al de ongerechtigheden van onze vaders, die tegen U gezondigd hebben.

8Zie, wij zijn vandaag in onze vreemdelingschap waarheen U ons verstrooid hebt, tot een smaad en tot een vloek, en tot een schuldvordering naar al de ongerechtigheden van onze vaders, die van Heere onze God afgeweken zijn.

9Hoor Israël, de geboden van het leven, laat ze ter ore ingaan, opdat u wijsheid mag weten.

10Wat is er Israël, dat u in het land van de vijanden bent?

11U bent verouderd geworden in een vreemd land, u bent verontreinigd geworden onder de doden, u bent gerekend met degenen, die in het graf zijn.

12U hebt de fontein van de wijsheid verlaten.

13Als u op de weg van God had gewandeld, u zou eeuwig met vrede gewoond hebben.

14Leer waar wijsheid is, waar sterkte is, waar vernuft is, opdat u meteen mag weten waar een lang leven en een zalig leven is, waar het licht van de ogen is, en vrede.

15Wie heeft haar plaats gevonden, en wie is in haar schatkamers ingegaan?

16Waar zijn de oversten van de heidenen, en die heersen over de wilde dieren, die op aarde zijn?

17Die spotten met de vogels van de hemel, en het zilver tot een schat verzamelen, en het goud, waar de mensen op betrouwen, en hun bezitting is geen einde.

18Want die het zilver bewerken, en daarvoor zorgvuldig zijn, waarvan geen uitvinding van hun werken is,

19Die zijn verdwenen en in het graf neergedaald, en anderen zijn in hun plaats opgestaan.

20De nakomelingen hebben het licht gezien, en hebben op de aarde gewoond, maar de weg van de wetenschap hebben zij niet gekend.

21En hebben haar paden niet verstaan, en hebben die niet aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar weggebleven.

22Zij is in Kanaän niet gehoord, noch in Theman gezien geworden.

23De kinderen van Hagar doorzoeken de wetenschap wel op aarde, de kooplieden van Merran en Theman, en de fakkeldichters en andere onderzoekers van de wetenschap, maar de weg van de wijsheid hebben zij niet gekend, noch gedacht aan haar paden.

24O Israël hoe groot is het huis van God! en hoe hoog de plaats van Zijn woning!

25Zij is groot, en heeft geen einde, hoog, en onmetelijk.

26Daar waren de reuzen, beroemde mensen, die van de beginne geweest zijn; groot waren zij van lichaam, en ervaren in de oorlog.

27Deze heeft Heere niet gekozen, noch hun de weg van de kennis te verstaan gegeven.

28Zij zijn vergaan, omdat zij de wetenschap niet gehad hebben, zij zijn vergaan vanwege hun onberadenheid.

29Wie is ten hemel opgevaren, en heeft haar gevat, en haar uit de wolken neergebracht?

30Wie is getogen over de zee, en heeft haar gevonden, en zal haar brengen voor uitverkoren goud?

31Daar is niemand die haar weg weet, noch haar pad bedenkt.

32Maar die alle dingen weet, die kent haar; Hij heeft haar gevonden door Zijn vernuft, die de aarde bereid heeft tot een eeuwige tijd, die ze vervuld heeft met viervoetige gedierten.

33Die het licht zendt, en het gaat voort; Hij roept het, en het is Hem gehoorzaam met beven.

34En de sterren lichten in haar nachtwaken, en zijn verheugd.

35Hij heeft geroepen, en zij hebben gezegd: Wij zijn hier; zij hebben geschenen met vrolijkheid voor Hem, die haar gemaakt had.

36Deze is onze God, en geen ander is tegen Hem te achten.

37Hij heeft al de weg van de wetenschap gevonden, en Hij heeft die gegeven aan Jakob Zijn knecht, en aan Israël, dat door Hem geliefd geweest is. Daarna is zij op aarde gezien en heeft onder de mensen mee verkeerd.