BijbelBaruch

Baruch 6

Lees Baruch 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Dat de Israëlieten naar Babylon gevankelijk weggevoerd zijn om hun zonden. 2 Doch dat zij daarna weer verlost zullen worden. 3 De afgodendienst van de Babyloniërs en de nietigheid van hun afgoden wordt uitvoerig beschreven, 63 en de Israëlieten vermaand hen niet voor goden te houden, noch te dienen.

1VANWEGE de zonden waarmee u gezondigd hebt tegen God, zult u van Nabuchodonosor, de koning van de Babyloniërs, naar Babel als gevangene weggevoerd worden.

2In Babylonië gekomen zijnde, zult u daar vele jaren en lange tijd blijven, namelijk tot zeven geslachten toe, maar daarna zal Ik u van daar weer uitvoeren met vrede.

3Maar nu zult u in Babylonië op de schouders zien dragen de zilveren, en gouden, en houten goden, die de heidenen vrees aandoen.

4Zie dan wel voor u, dat ook u niet op enige wijze de vreemden gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange.

5Als u zult zien dat een schaar voor en achter hen gaande ze aanbidt, zo zegt in uw gedachten: U moet men aanbidden, Heere.

6Want Mijn engel is bij u, en Hij zal uw zielen onderzoeken.

7Want hun tong is van de werkmeester wel fijn gesneden, en zij zijn rondom met goud en zilver versierd, maar zij zijn leugenachtig en kunnen niet spreken.

8En als voor een maagd, die graag versierd is, nemen zij goud en bereiden kronen voor de hoofden van hun goden.

9Soms ook onttrekken de priesters het goud en zilver aan hun goden, en brengen het door voor zichzelf;

10En geven daarvan ook de hoeren, die onder hun dak zijn. Zij versieren ook de zilveren en gouden en houten goden, met kleren als mensen.

11Maar zij kunnen zichzelf niet bewaren voor roest en mot.

12Wanneer zij bekleed zijn met een purperkleed, zo veegt men hun aangezicht, vanwege het stof van het huis, dat zeer veel op hen is.

13En hij heeft een scepter als een mens, die rechter van het land is, en kan die niet ombrengen, die tegen hem zondigt.

14Hij heeft ook een zwaard in zijn rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf van de oorlog en de rovers niet verlossen, daaraan kent men dat zij geen goden zijn.

15Zo vreest hen dan niet, want zoals een voorwerp van een mens dat gebroken is, onnut is, zo zijn ook hun goden.

16Wanneer zij in hun huizen vastgezet zijn, zo zijn hun ogen vol stof van de voeten van degenen die daarin gaan.

17En zoals voor iemand, die zich aan de koning heeft vergrepen, als die ter dood zal geleid worden, de zalen rondom bezet zijn, zo verzekeren ook de priesters hun tempels met deuren, sloten en grendels, opdat zij van de rovers niet geroofd worden.

18Zij ontsteken hun kaarsen, en dat meer in getal dan voor zichzelf, waarvan zij geen zien kunnen; want zij zijn als één van de balken, die aan het huis zijn;

19En men zegt dat hun harten worden uitgeknaagd van de kruipende dieren van de aarde; en wanneer zij deze en hun kleding vereten, zo gevoelen zij het niet.

20Zij zijn zwart geworden aan hun aangezicht van de rook, die uit het huis komt.

21Op hun lichaam en op hun hoofd vliegen de nachtuilen, zwaluwen en andere vogels, evenzo ook de katten.

22Daaraan zult u weten dat zij geen goden zijn, zo vreest hen dan niet.

23Want als niet iemand de roest afwist van het goud, dat om hen hangt tot versiering, zo zullen zij niet blinken, en zij voelden het ook niet als zij gegoten werden.

24Zij zijn voor grote prijs gekocht, waar toch geen geest in is.

25Zonder voeten zijnde, draagt men hen op de schouders, vertonende zo de mensen hun oneer.

26Die hen dienen worden ook beschaamd, omdat zij, als zij mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf niet weer opstaan; en zo iemand ze opricht, zij zich niet zullen bewegen; en zo men hen neerlegt, zij zich niet zullen oprichten, maar zoals voor doden zo zet men hun gaven voor.

27Hun offergaven verkopen hun priesters en verteren die onnut; evenzo ook hun vrouwen leggen daarvan in het zout, en delen noch de armen, noch de zieken daarvan mee.

28Hun offergaven raken de maandstondige en kraamvrouwen aan. Zie dan daaruit dat zij geen goden zijn, en vreest voor hen niet.

29Want waarvan zouden zij goden heten? namelijk omdat de vrouwen, de zilveren, gouden, en houten goden offer voor zetten;

30En de priesters zitten in hun tempels, hebbende gescheurde rokken aan, en hun hoofden en baarden kaal afgeschoren, en hun hoofden zijn ongedekt?

31Zij brullen, en roepen voor hun goden, zoals sommigen in de maaltijden over de doden.

32Hun priesters nemen van hun kleren, en kleden daarmee hun vrouwen en kinderen.

33En hetzij zij kwaad van iemand lijden, of goed, zij kunnen het niet vergelden; zij kunnen een koning aanstellen noch afzetten.

34Evenzo kunnen zij ook noch rijkdom geven, noch geld. Als iemand hun een belofte doet, en houdt die niet, zo eisen zij die niet.

35Zij zullen een mens van de dood niet verlossen, noch een zwakke bevrijden van een sterke.

36Zij zullen een blinde niet weer tot het gezicht brengen, noch een mens, die in nood is, daaruit helpen.

37Zij ontfermen zich niet van de weduwe, en doen geen goed aan de wees.

38Sommige zijn van hout, sommige verguld en sommige verzilverd, en zijn de stenen gelijk, die men uit de gebergten houwt; maar die hen dienen zullen beschaamd worden.

39Hoe zal men hen dan goden achten of heten?

40Bovendien onteren zich de Chaldeeën zelf, die wanneer zij een stomme zien, die niet spreken kan, zo brengen zij hem tot Bel,

41Verzoekende dat hij zou spreken, alsof het hem mogelijk was te verstaan, en hoewel zij het tegendeel bemerken, zo kunnen zij dat niet nalaten, want zij hebben geen gevoel.

42Nu de vrouwen met biezenbanden omgord, zitten op de wegen, om rookwerk van zemelen te offeren.

43En wanneer één van hen, weggerukt door iemand van degenen die daar voorbijgaan, beslapen wordt, zo verwijt zij degene die naast haar gezeten is, dat zij niet zo waardig geacht is als zij, en dat haar biesband niet is verbroken.

44Alles wat onder hen gebeurt is leugen, hoe zal men hen dan goden achten of heten?

45Zij zijn van de werkmeesters en goudsmeden toebereid, en daar wordt anders niets van dan de kunstenaars willen dat zij zijn.

46En zijzelf, die hen gemaakt hebben, leven geen lange tijd, hoe zullen dan deze goden zijn die door hen gemaakt zijn?

47Want zij hebben leugens en schande de nakomelingen nagelaten.

48Want zo wanneer strijd of een ander kwaad over hen komt, zo beraadslagen de priesters onder elkaar, hoe zij zich samen met hun goden verbergen zullen.

49Hoe kan men dan niet tasten, dat het geen goden zijn, die zichzelf noch van strijd, noch van ander kwaad kunnen verlossen?

50Want omdat zij maar houten, vergulde en verzilverde goden zijn, zo zal het daarna aan alle volken bekend worden, dat zij leugens zijn; en aan alle koningen zal duidelijk worden dat zij geen goden zijn, maar werken van mensenhanden, en dat geen werk van God in hen is.

51Waaraan zal men dan weten, dat zij geen goden zijn?

52Want zij kunnen geen koning van het land verwekken, en kunnen de mensen geen regen geven.

53Zij houden geen gericht onder hen, en bewaren niemand voor onrecht, omdat zij onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien, die tussen hemel en aarde zweven.

54Want ook, als het vuur valt in het huis van deze houten, vergulde en verzilverde goden, zo zullen hun priesters wel kunnen ontvluchten en ontkomen, maar zij zullen als balken midden daarin verbrand worden.

55Zij weerstaan noch koning, noch vijanden, hoe kan men dan achten of aannemen, dat zij goden zijn?

56Noch voor dieven, noch voor rovers, kunnen de houten en verzilverde, en vergulde goden zichzelf beschermen.

57Want de sterken onder hen halen rondom deze het goud en het zilver af, en de kleding die hun omhangt, en gaan weg als zij het hebben, en zij kunnen zichzelf niet helpen;

58Zodat een koning, die zijn eigen kloekheid bewijst, veel beter is, of een voorwerp dat nuttig is in huis, dat de bezitter gebruikt, dan die versierde goden; of ook een deur in het huis die bewaart wat daarin is, dan die versierde goden; en een houten pilaar in het koninklijk paleis dan die versierde goden.

59Want de zon, en de maan, en de sterren, die blinken als zij uitgezonden worden tot hun gebruik zijn gehoorzaam;

60Evenzo de bliksem, als hij schijnt, is licht te zien, en zo waait ook de wind in alle landen.

61En de wolken, als haar door God bevolen is dat zij zullen drijven over de hele wereld, volbrengen wat bevolen is.

62En het vuur, als het van boven is afgezonden om de bergen en bossen te verteren, doet wat bevolen is; maar deze zijn die noch in gestalte, noch in kracht gelijk.

63Daarom moet men noch houden, noch zeggen, dat zij goden zijn, daar zij niet machtig zijn de mensen straf te oefenen noch wel te doen.

64Wetende dan dat zij geen goden zijn, zo vreest hen niet.

65Want zij kunnen de koningen vloeken noch zegenen.

66Zij kunnen ook geen tekenen in de hemel onder de heidenen vertonen. Zij kunnen niet schijnen als de zon, noch lichten als de maan.

67De wilde gedierten zijn beter dan zij, die in een hol vluchtende zichzelf kunnen helpen.

68Op geen wijze dan is het ons openbaar dat zij goden zijn.

69Want zoals een vogelverschrikker in een komkommerhof niet bewaren kan, zo zijn ook hun houten, vergulde en verzilverde goden; op dezelfde wijze zijn zij zoals de doornenboom in een hof, waar allerlei gevogelte op zit.

70Evenzo zijn hun houten, en vergulde, en verzilverde goden een dode gelijk, die in het donker geworpen ligt.

71Men kan ook bemerken dat zij geen goden zijn, aan het scharlaken en purper dat zij aanhebben, en dat verrot; zij zullen ook zelf eindelijk opgegeten worden van de wormen; en zij zullen een spot worden in het land.

72Zo is dan de rechtvaardige mens beter, die geen afgoden heeft, want hij is ver van bespotting.