BijbelBel en de draak

Bel en de draak 1

Lees Bel en de draak 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Daniël staat in hoog aanzien bij koning Cyrus, en weigert de afgod Bel te aanbidden. 13 Ontdekt het bedrog van de priesters van Bel, 21 die daarom gedood worden. 22 Hij doet de draak, die de Babyloniërs aanbaden, barsten. 27 Waarover de Babyloniërs verstoord zijnde, Daniël bij de koning beschuldigen en hem in de leeuwenkuil werpen, die in zes dagen niet gespijzigd werden. 32 Daniël wordt door Habakuk gespijzigd, 39 en door de koning op de zevende dag nog levend gevonden, 40 die de God van Daniël looft en de vijanden van Daniël in dezelfde kuil werpt, waar zij terstond verslonden worden.

1En de koning Astyages werd verzameld tot zijn vaders, en Cyrus uit Perzië nam zijn koninkrijk over, en Daniël was altijd met de koning, en was heerlijker dan alle vrienden van de koning.

2De Babyloniërs hadden een afgod, die genoemd was Bel; aan deze werden alle dagen ten koste gelegd twaalf schepel meel, en veertig schapen, en zes metreten wijn.

3En de koning eerde die, en ging dagelijks heen, om die te aanbidden, maar Daniël aanbad God. En de koning zei tot hem: Waarom bidt u Bel niet aan?

4En hij zei: Omdat ik geen afgoden, die met handen gemaakt zijn, aanbid, maar de levende God, die de hemel geschapen heeft, en de aarde, en die heerschappij heeft over alle vlees.

5En de koning sprak tot hem: Denkt u dan niet dat Bel een levende god is? of ziet u niet hoe veel hij dagelijks eet?

6Maar Daniël lachte en zei: Laat u niet verleiden, o koning; want deze Bel is van binnen leem, maar van buiten koper, en hij heeft nooit gegeten noch gedronken.

7En de koning vertoornd zijnde, deed zijn priesters roepen en zei tot hen: Als u mij niet zegt wie deze kost opeet, zo zult u sterven.

8Maar als u bewijzen zult, dat Bel deze dingen opeet, zo zal Daniël sterven, want hij heeft tegen Bel gelasterd; en Daniël zei tot de koning: Het gebeure naar uw woord.

9En de priesters van Bel waren zeventig, zonder de vrouwen en kinderen en de koning ging met Daniël in het huis van Bel.

10De priesters zeiden: Zie, wij gaan heen uit; en u heer koning, zet zelf het voedsel daar, en stel de drank daar, nadat hij ingeschonken is, en sluit de deur toe, en verzegel die, met uw ring;

11En kom morgen vroeg, en als u niet vindt dat alles door Bel opgegeten is, zo zullen wij sterven, of Daniël zal sterven die tegen ons heeft gelogen.

12Zij nu verachtten dit, omdat zij een geheime toegang onder de tafel gemaakt hadden, en door deze gingen zij altijd, en verteerden die dingen.

13En het gebeurde als zij uitgegaan waren, zo zette de koning de spijzen voor Bel, en Daniël beval zijn dienaren, dat zij as zouden brengen en bestrooide de hele tempel in de aanwezigheid van de koning; en uitgaande sloten zij de deur toe, en verzegelden die met de ring van de koning en gingen weg.

14De priesters nu kwamen 's nachts, naar hun gewoonte, en ook hun vrouwen en hun kinderen, en aten het alles op en gingen uit.

15En de koning was 's morgens zeer vroeg op, en Daniël met hem;

16En de koning zei: Daniël, zijn de zegels nog geheel? en hij zei: Ja heer koning, zij zijn geheel.

17En het gebeurde, zo haast de koning de deuren open gedaan had, en op de tafel zag, dat hij met luide stem uitriep: Bel u bent groot, en geen bedrog is bij u.

18En Daniël lachte, en hield de koning op, dat hij niet binnengaan zou, en zei: Zie op de vloer, en merk op van wie deze voetstappen zijn.

19En de koning zei: Ik zie de voetstappen van mannen, en van vrouwen, en van kinderen.

20En de koning werd boos, en liet de priesters grijpen, met hun vrouwen, en kinderen, en zij toonden hem de verborgen deuren, waardoor zij ingegaan waren, en verteerd hadden wat op de tafel geweest was.

21En de koning liet hen doden, en gaf Daniël de Bel over; deze vernielde hem en zijn tempel.

22En in die plaats was een grote draak, en de Babyloniërs aanbaden hem.

23En de koning zei tot Daniël: Zegt u ook dat deze van koper is? Zie hij leeft, en hij eet en drinkt, u kunt niet zeggen dat deze geen levende god is; daarom bid hem aan.

24En Daniël zei: Heere mijn God zal ik aanbidden, want die is de levende God.

25Maar u, heer koning, veroorloof het mij, zo zal ik deze draak ombrengen zonder zwaard of stok. En de koning zei: Ja, ik geef u verlof.

26En Daniël nam pek, vet en haar, en kookte dit samen, en maakte daar koeken van, en gaf die de draak in de muil, en de draak barstte daarvan, en hij zei: Zie uw goden.

27En het gebeurde, als de Babyloniërs dat hoorden, dat zij het zeer kwalijk namen, en maakten een oploop tegen de koning, en zeiden: Onze koning is een Jood geworden, hij heeft Bel verstoord, en de draak gedood, en de priesters heeft hij omgebracht.

28En zij kwamen tot de koning en zeiden: Geef ons Daniël over; anders zullen wij u doden en uw huis.

29En de koning zag, dat zij zeer op hem aandrongen, en werd gedwongen hun Daniël over te geven.

30Deze nu wierpen hem in de kuil van de leeuwen, en hij was daar zes dagen.

31En daar waren zeven leeuwen in de kuil, en hun werden dagelijks gegeven twee lichamen, en twee schapen; maar toen werd hun dat niet gegeven, opdat zij Daniël verslinden zouden.

32En Habakuk, de profeet was in Judea, en had een pap gekookt, en had brood gebrokkeld in een diepe schotel, en ging in het veld om het de maaiers te dragen.

33En de engel van Heere zei tot Habakuk: Draag het middageten, dat u hebt, naar Babylon tot Daniël in de kuil van de leeuwen.

34En Habakuk zei: Heere, ik heb Babylon nooit gezien, en weet niet waar de kuil is.

35Toen vatte de engel van Heere hem bij het hoofd, en dragende hem met het haar van zijn hoofd, voerde hem over naar Babylon op de kuil, door de drijving van Zijn Geest.

36En Habakuk riep en zei: Daniël, Daniël, neem dit middageten, dat u God gezonden heeft.

37En Daniël zei: U gedenkt mij dan Heere, en verlaat niet degenen die U liefhebben!

38En Daniël stond op en at, en de engel van Heere bracht Habakuk meteen weer aan zijn plaats.

39En de koning kwam op de zevende dag, om rouw te tonen over Daniël, en kwam aan de kuil, en zag daarin, en ziet Daniël zat daar.

40En de koning riep met luide stem en zei: U bent groot, o Heere, God van Daniël, en daar is niemand dan U, en trok hem er weer uit,

41En die oorzaak waren van zijn verderf, liet hij in de kuil werpen, en zij werden meteen verslonden in zijn aanwezigheid.