BijbelBoek der Wijsheid

Boek der Wijsheid 12

Lees Boek der Wijsheid 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Dat God de zondaars geleidelijk straft, 3 zoals Hij ook gedaan heeft met de oude inwoners van het land Kanaän, die Hij om hun toverij en het offeren van hun kinderen verdelgd heeft door de Israëlieten. 12 Dat niemand God daarover kan bestraffen. 20 Dat God, als Hij de goddelozen soms spaart, veel meer de godzaligen zal sparen. 24 Dat zij die van God afwijken in veel dwalingen vervallen, 26 en dat de hardnekkigen door God gestraft zullen worden.

1WANT Uw onverderfelijke Geest is in allen.

2Daarom bestraft U langzaam degenen die vervallen, en vermaant hen, hun indachtig makende waarin zij zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken zijnde in U, Heere, geloven zouden.

3Want hatende de oude inwoners van Uw heilig land,

4Omdat zij zeer hatelijke werken bedreven, van toverijen en onheilige offergaven,

5Zo hebt U de onbarmhartige moordenaars van hun kinderen, en die het binnenste van mensenvlees aten,

6En de bloedeters uit het midden van Uw goddelijk land, en de ouders, die met hun eigen handen de hulpeloze zielen ombrachten, hebt U willen uitdelgen door de handen van onze vaders.

7Opdat het land, dat bij U het dierbaarste is van alle, de waardige inwoning van de kinderen van God ontvangen zou.

8Maar ook deze hebt U als mensen gespaard, en hebt voorlopers van Uw leger voor hen heengezonden, namelijk wespen, om hen gaandeweg uit te roeien.

9U was niet onmachtig om de goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen onderdanig te maken, of door vreselijke dieren, of met een streng woord tot één toe hen te verdoen.

10Maar U straffende gaandeweg, gaf hun tijd tot bekering, wel wetende dat hun geslacht boos was, en hun boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten niet zouden veranderen in de eeuwigheid.

11Want het was een vervloekt zaad van de beginne; noch iemand vrezende, gaf U hun zekerheid in datgene waarin zij zondigden.

12Want wie zal zeggen: Wat hebt U gedaan? of wie zal zich stellen tegen Uw oordeel? en wie zal U beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn, die U gemaakt hebt? of wie zal zich tegen U kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige mensen?

13Want daar is geen God dan U die voor alle dingen zorgt, opdat U zou betonen, dat U niet onrechtvaardig hebt geoordeeld.

14Noch koning, noch tiran zal U onder de ogen kunnen gaan, vanwege degenen, die U gestraft hebt.

15Maar daar U rechtvaardig bent, regeert U alle dingen rechtvaardig, en acht het vreemd te zijn van Uw macht, te veroordelen degene, die niet schuldig is om gestraft te worden.

16Want Uw sterkte is het begin van de rechtvaardigheid, en dat U over allen heerst, maakt dat U hen allen ontziet.

17Want U betoont sterkte, als men niet gelooft dat Uw macht volkomen is, en weerlegt de onverschrokkenheid in degenen die ze kennen.

18Maar U, heersende over de sterkte, oordeelt met bescheidenheid en regeert ons met veel verschoning, want bij U is het vermogen wanneer U wilt.

19Maar door zulke werken hebt U Uw volk geleerd, dat de rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet zijn; en hebt Uw kinderen goede hoop gegeven, omdat U op de zonden bekering geeft.

20Want als U de vijanden van Uw kinderen, en die van de dood schuldig waren, met zulke opmerkingen gestraft hebt, gevende tijd en wijze, waardoor zij van de boosheid mochten aflaten;

21Met hoe grote ijver oordeelt U Uw kinderen, met de vaders van wie U eden en verbonden van goede beloften hebt opgericht?

22Ons dan tuchtigende, geselt U onze vijanden tienduizend maal meer, opdat wij oordelende, Uw goedheid zorgvuldig zouden betrachten, maar geoordeeld zijnde, barmhartigheid zouden verwachten.

23Vanwaar het ook komt, dat U degenen die in dwaasheid van het leven onrechtvaardig geleefd hebben, door hun eigen gruwelijke dingen gepijnigd hebt.

24Want ook waren zij zo ver in de wegen van de dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren, die bij hun vijanden ongeeerd waren, voor goden hielden, zijnde bedrogen zoals de onverstandige kinderen.

25Daarom hebt U het oordeel tot een bespotting over hen gezonden, als over kinderen die zonder verstand zijn.

26Maar zij, die door de bespottelijke bestraffing zich niet hebben laten vermanen, zullen zulk een oordeel van God beproeven, als zij waard zijn.

27Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij vroeger hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.