Boek der Wijsheid 15
Lees Boek der Wijsheid 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Dat wij de goede en getrouwe God recht moeten kennen. 4 De dwaasheid van de maker van afgoden, 14 en de uitzinnigheid van de vijanden van Gods volk. 15 Dat de afgoden geen leven hebben, 17 en dat de afgodendienaars zelf voortreffelijker zijn dan de afgoden die zij dienen.
1MAAR U onze God bent goedertieren en waarachtig, geduldig, en in barmhartigheid regeert U alle dingen.
2Want ook zo wij zondigen; wij zijn van U, wetende Uw kracht, maar wij zullen niet zondigen, wetende dat wij onder de Uwen gerekend worden.
3Want U kennen is een volkomen gerechtigheid, en Uw kracht weten, is een wortel van de onsterfelijkheid.
4Want ons heeft niet verleid de kwade bedenking van de mensen, noch de schaduw van de schilderijen, zijnde een onvruchtbare arbeid, namelijk een gedaante die bevlekt is met verscheidene kleuren.
5Waarvan de aanschouwing in de onwijze begeerte verwekt, dat hij lust krijgt tot de gedaante van een dood beeld, dat zonder adem is.
6Zulke mensen zijn liefhebbers van kwade dingen, en zulke hoop waard, zowel die hen maken, als die hen begeren, en die hen eren.
7Want ook een pottenbakker tredende de weke aarde met moeite, maakt ieder stuk werk tot onze dienst; maar uit hetzelfde leem maakt hij voorwerpen die tot reine werken dienstig zijn, en evenzo alle, die tot onreine werken dienen; en waartoe elk van die beide zal gebruikt worden, daarover oordeelt de leemwerker.
8Daarna, bemoeiende zichzelf met kwade arbeid, maakt hij een ijdele god uit dat leem, daar hij korte tijd tevoren uit aarde gemaakt zijnde, een kleine tijd daarna daarin gaan zal, uit welke hij genomen is, wanneer de schuld van de ziel hem zal zijn afgeëist.
9Maar hij is bezorgd, niet omdat hij moeite zal hebben, noch omdat hij een kortdurend leven heeft, maar omdat hij om strijd arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden, en dat hij het de koperslagers nadoet, en acht het een eer te zijn, dat hij valse dingen maakt.
10Zijn hart is as, en zijn hoop is slechter dan aarde, en zijn leven is verachter dan leem.
11Omdat hij die niet kent die hem gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen heeft, die in hem werkt, en hem een geest ingeademd heeft, die hem doet leven.
12Maar zij achten ons leven een spelen, en de loop van het leven een jaarmarkt, waar men winst doet; want men moet, zeggen zij, wanneer men kan, zelfs ook van het kwade, winst zoeken.
13Want deze weet boven alle anderen dat hij zondig, makende van aardse stoffen voorwerpen die licht breken, en gesneden beelden.
14Maar de vijanden van uw volk, die het onderdrukken, zijn allen zeer onwijs, en ellendig boven de zielen van de kleine kinderen.
15Omdat zij al de beelden van de heidenen houden voor goden, die hun ogen niet kunnen gebruiken om te zien, noch hun neusgaten om lucht aan te trekken, noch de oren om te horen, noch de vingers van hun handen om iets aan te tasten, en van wie de voeten lui zijn om voort te gaan.
16Want een mens heeft hen gemaakt, en die de adem in leen ontvangen heeft, die heeft hen bereid; want geen mens kan een god maken die aan hem gelijk is.
17Maar sterfelijk zijnde maakt hij een dode, met zijn onrechtvaardige handen; want hij is beter dan wat hij als god eert, omdat hij leven heeft, maar zij hadden het nooit.
18En eren ook de dieren die de allervijandigste zijn; want verstandeloze, bij andere vergeleken, zijn nog erger.
19En zijn niet schoon om zo zeer begeerd te worden, in het aanzien van de andere dieren; maar zij zijn de lof van God en zijn zegen ontvlucht.