BijbelBoek der Wijsheid

Boek der Wijsheid 17

Lees Boek der Wijsheid 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Hoe de Egyptenaren gestraft zijn met duisternis, 4 die hen zeer verschrikte en door geen vuur verlicht kon worden. 11 Dat zo een kwaad geweten zichzelf veroordeelt door zijn eigen getuigenis, 14 en de mens geen rust laat.

1WANT Uw oordelen zijn groot en zwaar om te vertellen; daarom zijn de zielen, die niet onderwezen zijn, verleid geworden.

2Want de ongerechtigen, als zij zich onderwonden het heilige volk onder hun macht te houden, lagen gebonden van de duisternis, en geboeid van de lange nacht, besloten zijnde onder de daken, als vluchtig voor de eeuwige voorzienigheid.

3Want menende te schuilen in hun geheime zonden, onder een donker deksel van de vergetelheid, zo werden zij verstrooid, schrikkelijk verbaasd, door spokerijen zeer beroerd zijnde.

4Want ook de binnenste plaats waarin zij waren, bewaarde hen niet zonder vrees, maar weerklanken overvielen hen, en maakten rondom heen geluid en droevige spokerijen met afschuwelijke gezichten verschenen hun.

5Zelfs geen kracht van het vuur vermocht hen te lichten, en de glinsterende vlammen van de sterren konden die droevige nacht niet helder maken.

6Maar alleen enig vanzelf brandend vuur vol vrees verscheen hun, en bevreesd zijnde voor het gezicht, dat niet gezien werd, hielden zij wat zij zagen voor erger.

7De guichelarijen van de toverkunst lagen ook ter neer, en dat zeer smadelijk bewijs van hun pocherij vanwege hun kloekheid.

8Want zij, die beloofden van de zieke mens de schrik en onrust te verdrijven, deze werden zelf ziek aan een vrees, die belachelijk was.

9Want ook al had hen niets schrikkelijks bevreesd gemaakt, zo vergingen zij toch al bevende, zijnde bevreesd door het ontmoeten van de beesten en schuifelen van de kruipende dieren.

10En weigerende de lucht te aanschouwen, die toch nergens kan ontvlucht worden.

11Want de boosheid is een beangstigend ding, veroordeeld door haar eigen getuige, en benauwd zijnde door de conscientie vermoedt altijd het zwaarste.

12Want de vrees is niets anders dan een begeven van de behulpzaamheden, die van het vernuft voortkomen.

13Maar hoe minder de verwachting van binnen is, hoe meer zij acht de onwetendheid van de oorzaak, die die pijn meebrengt.

14Zij nu, die nacht, die werkelijk onverdragelijk was, uit de binnenste holen van het onverdragelijke dodenrijk voortgekomen, dezelfde slaap slapende.

15Werden deels door de wonderlijke spokerijen gedreven en deels bezweken zij door begeven van hun ziel: want een snelle en onverwachte vrees overkwam hun.

16Daarop dan volgde zo, dat wie daar neerviel, gevangen was, opgesloten in de kerker zonder ijzers.

17Want het was dan een landman of een herder, of een die moeilijker werken doet in de woestijn, zijnde verrast, zo moest hij de onvermijdelijke nood dragen.

18Want zij waren allen met een keten van de duisternis gebonden.

19Hetzij dan dat daar was een suizende wind, of een liefelijk gezang van de vogels, omtrent de dichte takken, of het ruisen van het water, met geweld aflopende, of een hard gerommel van de stenen, die van boven neergeworpen worden, of de onzichtbare loop van de springende beesten, of de stem van de huilende wreedste dieren, of de weerklank die uit de holen van de bergen tegenschalt al deze dingen maakten hen zeer bevreesd en krachteloos.

20Want de hele wereld lichtte met helder klaar licht, en was bezig met werken die niet verhinderd werden.

21Maar over hen alleen was een zware nacht uitgestrekt, zijnde een beeld van de duisternis die zij zouden ontvangen; maar zij waren zichzelf zwaarder dan de duisternis.