BijbelBoek der Wijsheid

Boek der Wijsheid 18

Lees Boek der Wijsheid 18 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Hoe God Zijn volk helderheid verleende en door de vuurkolom geleidde, 4 toen Hij de Egyptenaren, naar hun verdiensten, in duisternis liet zitten, 7 dat zo de vromen getroost en de goddelozen gestraft worden, 11 zoals de Egyptenaren gestraft zijn door het doden van hun eerstgeborenen, 17 en door grote verschrikkingen. 20 Dat God wel soms Zijn eigen volk plaagt, maar dat de plaag ophoudt zodra zij zich bekeren.

1MAAR Uw heiligen hadden een zeer groot licht, van wie de stem zij (de Egyptenaars) wel hoorden, maar zagen hun gedaante niet,

2En achtten die gelukkig, dat zij ook niet leden, maar dankten hen dat zij tevoren verongelijkt zijnde, hun toch geen schade deden, en smeekten om genade, dat zij met hen geschil hadden gehad.

3Waarvoor U hun gaf een vuurvlammige kolom, die hen geleidde op de weg van de onbekende reis, en een zon, die hen niet beschadigde in hun heerlijke herberg.

4Want zij waren ook waard, dat zij van het licht beroofd en in de duisternis gevangen werden gehouden, die Uw kinderen als gevangene ingesloten hielden door wie het onverderfelijke licht van Uw wet aan de wereld zou gegeven worden.

5En als zij beraadslaagd hadden de kleine kinderen van de heiligen te doden, en een kind van die in het water uitgezet en behouden was, nam U tot overtuiging de menigte van hun kinderen weg, en verdierf hen gezamenlijk in een geweldig water.

6Diezelfde nacht was tevoren onze vaders bekend geworden, opdat zij zeker wetende wat eden het waren die zij geloofd hadden, daarover goedsmoeds zouden zijn.

7En van Uw volk is verkregen de verlossing van de rechtvaardigen, en het verderf van de vijanden.

8Want zoals U de tegenstanders hebt gestraft, zo hebt U ons daarmee tot U geroepen en verheerlijkt.

9Want de heilige kinderen van de vromen offerden in het verborgen, en ordineerden de Goddelijke wet met eendracht, dat de heiligen zowel van die goederen als gevaren tegelijk deelachtig zouden worden, zingende reeds tevoren de lof van de vaders.

10En daarentegen klonk een niet overeenstemmend hulpgeroep van de vijanden en een erbarmelijke stem over de kinderen die beweend werden, verspreidde zich ginds en weer.

11En de knecht met de heer werden met gelijke straf geplaagd, en de gewone man moest met de koning hetzelfde lijden.

12En zij hadden gezamenlijk allen, onder één naam van de dood, ontelbare doden, want de levenden waren zelfs niet genoegzaam om die te begraven, omdat hun edelste geslacht in een ogenblik tijds verdorven werd.

13Want geen van al deze dingen gelovende vanwege de toverijen, hebben zij in de dood van de eerstgeborenen beleden, dat dit volk kinderen van God waren.

14Want als nu alle dingen in rust en stilte waren, en de nacht in zijn snelheid half voorbij was,

15Toen daalde uw alvermogend woord van de hemel uit de koninklijke troon af, als een ernstig krijgsheld in het midden van het land, dat verdorven zou worden.

16Dragende een scherp zwaard, namelijk uw ongeveinsd gebod, en staande vervulde het alles met doden, en raakte wel aan de hemel, maar ging ook op de aarde.

17Toen ontroerden hen meteen zeer de inbeeldingen van schrikkelijke dromen, en een onverwachte vrees overkwam hun.

18En de één herwaarts, de ander daarheen geworpen liggende, half dood, openbaarde om wat oorzaak hij stierf.

19Want de dromen die hen ontroerden, hadden hun dit tevoren bekend gemaakt, opdat zij niet zouden vergaan, zonder te weten waarom zij zo veel kwaad leden.

20Ook heeft eenmaal de aanvechting van de dood de rechtvaardigen aangeraakt en is in de woestijn een verbreking van de menigte gebeurd, maar die toorn duurde niet lang.

21Want de onstrafbare man kwam haastig en streed voor hen, en bracht de wapenen van zijn dienst, namelijk het gebed en de verzoening door het reukwerk, en stelde zich tegen de toorn en maakte een einde aan de jammer, betonende dat hij uw dienaar was.

22En hij overwon de verderver niet door sterkte van het lichaam, niet door kracht van wapenen, maar door het woord bracht hij de plagende ten onder, hebbende verhaald de eden, en de verbonden met de vaders opgericht.

23Want als nu reeds de doden met hopen over elkaar gevallen lagen, stond hij tussen beiden, hieuw de toorn af en sneed de weg af tot de levenden.

24Want op de lange rok was het hele versiersel, en de heerlijkheid van de vaders in de vier rijen van de stenen ingegraveerd en uw grootmogendheid op de hoed van zijn hoofd.

25Voor deze dingen week de verderver, en deze vreesde hij, want de beproeving van de toorn was alleen genoeg.