Boek der Wijsheid 8
Lees Boek der Wijsheid 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De wijsheid bestuurt alle dingen, 4 leert de kennis van God, 8 en ervarenheid van vele dingen, 10 welk nut en welke eer iemand heeft die met wijsheid begaafd is, 21 welke niet verkregen kan worden dan van God.
1ZIJ reikt van het ene einde tot het andere einde, en regeert alle dingen nuttig.
2Deze heb ik liefgehad en uitgezocht van mijn jeugd aan, en haar gezocht voor mij te nemen tot een bruid, en ben geworden een liefhebber van haar schoonheid.
3Zij maakt haar adellijke afkomst daarmee heerlijk dat zij met God verkeert, en de Heere van alle dingen heeft haar lief.
4Want zij is een leermeesteres van de wetenschap van God, en doet een keuze uit Zijn werken.
5En zo rijkdom een zeer begeerlijke bezitting is in het leven, wat is rijker dan de wijsheid die alles werkt?
6En zo de vernuftigheid werkt, wie is er onder de dingen die zijn groter kunstenaar dan zij?
7En zo iemand gerechtigheid liefheeft, al haar arbeid is enkel deugd, want zij leert nuchterheid en verstandigheid, gerechtigheid en dapperheid, die de mens nuttiger zijn in het leven, dan enig ander ding.
8En zo ook iemand de ervarenheid veler dingen begeert, zij weet de oude geschiedenissen, en de toekomstige dingen gist zij; zij weet de verdraaiing van de woorden en de ontbinding van de raadselen; tekenen en wonderen weet zij tevoren, en de uitkomsten van gelegenheden en tijden.
9Zo heb ik dan besloten ze tot mij te brengen, om met mij te leven, wetende dat zij mij zal raden wat goed is, en zal mij een terechtwijzing zijn, in zorg en verdriet.
10Ik zal door haar heerlijkheid hebben onder het volk, en nog jong zijnde eer bij de oude.
11Ik zal scherpzinnig gevonden worden in het gericht, en in het gezicht van de machtigen zal ik een verwondering zijn.
12Als ik zal zwijgen, zullen zij op mij wachten, en als ik zal spreken, zullen zij opmerken, en als ik verder spreek, zullen zij de hand op hun mond leggen.
13Ik zal door haar de onsterfelijkheid hebben, en zal een eeuwige herinnering degenen achterlaten, die na mij komen zullen.
14Ik zal volken regeren, en natiën zullen mij onderworpen zijn.
15Schrikkelijke tirannen, mij horende, zullen vrezen, onder de menigte zal ik mij goedertieren vertonen, en in de oorlog als een man, en als ik in mijn huis kom, zal ik bij haar rust hebben.
16Want met haar te verkeren brengt geen verdriet, noch smart met haar te leven, maar vreugde en blijdschap.
17Deze dingen bij mijzelf overlegd hebbende en in mijn hart bedacht, dat in de familie van de wijsheid de onsterfelijkheid is;
18En in haar vriendschap goede vermakelijkheid is, en in allerlei arbeid van haar handen rijkdom, die niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid is, dat ook in de gemeenschap van haar woorden een goede naam is, zo ben ik omgegaan, zoekende hoe ik haar tot mij nemen mocht.
19Ik nu was een goedaardig kind, en had gekregen een goede ziel.
20Ja, veelmeer zo ik goed was, ben ik gekomen in een onbevlekt lichaam.
21En verstaande dat ik haar anders niet machtig zou worden, als God haar mij niet gaf, (en dat was ook kloekheid, te weten van wie die genade komt) zo ging ik tot de Heere, en bad Hem, en sprak uit geheel mijn hart.