BijbelBoek der Wijsheid

Boek der Wijsheid 9

Lees Boek der Wijsheid 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Een gebed van de auteur, onder de naam van Salomo, tot God, om wijsheid, 6 zonder welke de beste man niet geacht is, 11 toont hoe nodig en nuttig deze is voor hem, 18 en voor alle mensen.

1O God van mijn vaders, en Heere van de barmhartigheid, die alle dingen gemaakt hebt door Uw Woord,

2En de mens door Uw wijsheid hebt bereid, opdat hij zou heersen over de schepselen die van U gemaakt zijn,

3En dat hij de wereld zou regeren in heiligheid en gerechtigheid, en in oprechtheid van het hart oordelen.

4Geef mij de wijsheid, die bij Uw tronen zit, en verwerp mij niet uit Uw kinderen.

5Want ik ben Uw dienaar en een zoon van Uw dienstmaagd, een zwak mens, en van korte tijd, en zeer gering in het verstand van het gericht en van de wetten.

6Want of iemand onder de kinderen van de mensen volmaakt zou zijn, zo zal hij toch niets geacht worden, wanneer de wijsheid, die van U komt, niet bij hem is.

7U hebt mij gekozen tot een koning over Uw volk, en tot een rechter over Uw zonen en dochters.

8U hebt gezegd, dat ik een tempel op Uw heilige berg zou bouwen, en een altaar in de stad van Uw woning, naar de gelijkheid van de heilige tabernakel, die U tevoren van de beginne bereid had.

9Bij U is de wijsheid, die Uw werken weet, en tegenwoordig was, toen U de wereld maakte, en verstaat wat aangenaam is in Uw ogen, en wat recht is in Uw geboden.

10Zend haar af uit Uw heilige hemelen, ja zend haar van de troon van Uw heerlijkheid, opdat zij bij mij tegenwoordig zijnde met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, wat U welbehaaglijk is.

11Want zij weet alle dingen, en verstaat ze, en zal mij voorzichtig leiden in mijn handelingen, en mij bewaren door haar heerlijkheid.

12En mijn werken zullen aangenaam zijn, en ik zal Uw volk rechtvaardig richten, en zal de troon van mijn vader waard zijn.

13Want wie van de mensen kan de raad van God kennen? Of wie kan bedenken wat God wil?

14Want de overleggingen van de sterfelijke mensen zijn vreesachtig, en onze bedenkingen zijn onzeker.

15Want het verderfelijk lichaam bezwaart de ziel, en de aardse tabernakel drukt terneder het bezorgde gemoed.

16En nauwelijks maken wij na de dingen die op aarde zijn, en met moeite vinden wij wat onder handen is; wie heeft dan nagespeurd wat in de hemelen is?

17En wie heeft Uw raad gekend? tenzij dat U wijsheid gegeven, en Uw Heilige Geest gezonden hebt van de hoogste plaats.

18En zo zijn recht gemaakt de paden van degenen, die op aarde zijn, en de mensen hebben geleerd wat U behagelijk is.

19En door de wijsheid zijn zij behouden geworden.