Daniël
Oude Testament · 12 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
Daniël is een van hen die door Nebukadnezar werden weggevoerd in de Babylonische gevangenschap, nadat deze in de tijd van koning Jojakim de stad Jeruzalem had overwonnen en het hele Joodse land onder zijn heerschappij had gebracht. Hij was een van de jongemannen uit koninklijken bloede, zonder enig gebrek, mooi van uiterlijk en bedreven in alle wijsheid, die op bevel van Nebukadnezar genomen en uit velen uitgekozen werden om onderwezen te worden in de boeken en de taal van de Chaldeeën, om in het paleis van de koning te staan, hem aan het hof te dienen en later in hoge ambten gebruikt te worden (Hoofdstuk 1:1-6). God de HEERE heeft Daniël boven alle anderen begaafd met bijzondere wijsheid en inzicht, vooral in het bekendmaken en uitleggen van de dromen en visioenen die hij de koningen van Babel, Nebukadnezar en Belsazar, liet dromen en zien, en die geen andere mensen, hoe wijs en ervaren ook, hebben kunnen begrijpen, bekendmaken of verklaren. Daardoor kwam Daniël bij die koningen in zeer hoog aanzien; hij werd ook met voortreffelijke geschenken vereerd en tot hoge posten verheven, boven zijn metgezellen en boven vele vorsten onder de Babyloniërs. Maar hierdoor kwam hij in grote haat en afgunst te staan bij de Chaldeeën, tovenaars, waarzeggers en sterrenwichelaars. Door hun listige aanslag werd hij ten slotte in de leeuwenkuil geworpen, om door de leeuwen levend verscheurd en verslonden te worden, omdat hij, ondanks het bevelschrift van de koning, de gewone aanbidding van de ware God niet had willen nalaten. Maar de almachtige God, die hij vurig diende en aanbad, heeft hem voor de leeuwen bewaard, terwijl zijn aanklagers en grootste vijanden in de leeuwenkuil werden geworpen en door de leeuwen meteen werden verscheurd en verslonden, met hun vrouwen en kinderen.