Daniël 10
Lees Daniël 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Terwijl Daniël zichzelf met vasten en bidden voor God verootmoedigt, ziet hij een gezicht, vers 1 enz. Daar hij hierdoor zeer verschrikt is, wordt hij door de engel gesterkt en getroost, 10. En hem wordt te kennen gegeven wat het Joodse volk in toekomende tijden zou overkomen, 14. Hierover wordt hij opnieuw zeer verschrikt en ontsteld, 15. Doch hij wordt door de engel weer versterkt, 19, die hem te kennen geeft hoe de vorst van Griekenland, Alexander de Grote, komen zou, 20.
1In het derde jaar van Kores, de koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam genoemd werd Beltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, maar in een gezette grote tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het visioen.
2In die dagen was ik, Daniël, treurende drie weken van de dagen.
3Begeerlijk voedsel at ik niet, en vlees of wijn kwam in mijn mond niet; ook zalfde ik mij geheel niet, voordat die drie weken van de dagen vervuld waren.
4En op de vier en twintigste dag van de eerste maand, zo was ik aan de oever van de grote rivier, die is Hiddekel.
5En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was een Man met linnen bekleed, en Zijn middel was omgord met fijn goud van Ufaz.
6En Zijn lichaam was gelijk een turkoois, en Zijn aangezicht gelijk de gedaante van de bliksem, en Zijn ogen gelijk vurige fakkelen, en Zijn armen en Zijn voeten gelijk de kleur van gepolijst koper; en de stem van Zijn woorden was gelijk de stem van een menigte.
7En ik, Daniël, alleen zag dat visioen, maar de mannen, die bij mij waren, zagen dat visioen niet; maar een grote verschrikking viel op hen, en zij vluchtten, om zich te versteken.
8Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote visioen, en er bleef in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield.
9En ik hoorde de stem van Zijn woorden; en toen ik de stem van Zijn woorden hoorde, zo viel ik in een diepe slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.
10En ziet, een hand roerde mij aan, en maakte, dat ik mij bewoog op mijn knieën, en de palmen van mijn handen.
11En Hij zei tot mij: Daniël, u zeer gewenste man! merk op de woorden, die Ik tot u spreken zal, en sta op uw standplaats, want Ik ben alnu tot u gezonden; en toen Hij dat woord tot mij sprak, stond ik bevende.
12Toen zei Hij tot mij: Vrees niet, Daniël! want van de eerste dag aan, dat u uw hart begaaft, om te verstaan en om uzelf te verootmoedigen, voor het aangezicht van uw God, zijn uw woorden gehoord, en omwille van uw woorden ben Ik gekomen.
13Maar de vorst van het koninkrijk van Perzië stond tegenover Mij één en twintig dagen; en ziet, Michaël, één van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd daar gelaten bij de koningen van Perzië.
14Nu ben Ik gekomen, om u te doen verstaan, wat uw volk bejegenen zal in het vervolg van de dagen, want het visioen is nog voor vele dagen.
15En toen Hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde, en ik werd stom.
16En zie, Één, de mensenkinderen gelijk, raakte mijn lippen aan, toen deed ik mijn mond open, en ik sprak, en zei tot Die, Die tegenover mij stond: Mijn Heere! vanwege het visioen keren zich mijn weeën over mij, zodat ik geen kracht behoude.
17En hoe kan de knecht van deze mijn Heere spreken met die mijn Heere? Want wat mij betreft, van nu af bestaat geen kracht in mij, en geen adem is in mij overgebleven.
18Toen raakte mij opnieuw aan Één, als in de gedaante van een mens; en Hij versterkte mij.
19En Hij zei: Vrees niet, u zeer gewenste man! vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk! En terwijl Hij met mij sprak, werd ik versterkt, en zei: Mijn Heere spreke, want U hebt mij versterkt.
20Toen zei Hij: Weet u, waarom dat Ik tot u gekomen ben? Maar nu zal Ik terugkeren om te strijden tegen de vorst van de Perzen; en als Ik zal uitgegaan zijn, ziet, zo zal de vorst van Griekenland komen.
21Maar Ik zal u te kennen geven, wat getekend is in het geschrift van de waarheid; en er is niet één, die zich met Mij versterkt tegen deze, dan uw vorst Michaël.