BijbelDaniël

Daniël 11

Lees Daniël 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Profetie aangaande Alexander de Grote, alsook van enige koningen van Egypte en van Syrië, vers 1 enz. In het bijzonder van de wreedheid en goddeloosheid van een koning boven alle anderen, 36. Eveneens van enige andere vijanden van Gods volk, bijna tot aan de voleinding van de wereld toe, 40 enz.

1Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius, de Meder, om hem te versterken en te stijven.

2En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; zie, er zullen nog drie koningen in Perzië staan, en de vierde zal verrijkt worden met grote rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.

3Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen.

4En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken, en in de vier winden van de hemel verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn heerschappij, waarmee hij heerste; want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen, dan deze.

5En de koning van het Zuiden, die één van zijn vorsten is, zal sterk worden; maar een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen; zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn.

6Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij zich met elkaar bevrienden, en de dochter van de koning van het Zuiden zal komen tot de koning van het Noorden, om redelijke voorwaarden te maken; maar zij zal de macht van de arm niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan; maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden.

7Maar uit de spruit van haar wortels zal er een opstaan in zijn staat, die zal met legermacht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen van de koning van het Noorden, en hij zal daartegen doen, en hij zal ze bemachtigen.

8Ook zal hij hun goden, met hun vorsten, met hun gewenste voorwerpen van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren staande blijven boven de koning van het Noorden.

9Zo zal de koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal opnieuw in zijn land trekken.

10Maar zijn zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote legers verzamelen; en één van hen zal snel komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal opnieuw komen, en zich in de strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe.

11En de koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken, en strijden tegen hem, tegen de koning van het Noorden, die ook een grote menigte oprichten zal, maar die menigte zal in zijn hand gegeven worden.

12Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen, en hij zal er enige tien duizenden neervellen; evenwel zal hij niet gesterkt worden.

13Want de koning van het Noorden zal terugkeren, en hij zal een groter menigte dan de eerste was, oprichten; en aan het einde van de tijden van de jaren, zal hij snel komen met een grote legermacht, en met groot goed.

14Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen de koning van het Zuiden; en de scheurmakers van uw volk zullen verheven worden, om het visioen te bevestigen, maar zij zullen vallen.

15En de koning van het Noorden zal komen, en een wal opwerpen, en versterkte steden innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja, er zal geen kracht zijn om te bestaan.

16Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land van het sieraad, en de verderving zal in zijn hand wezen.

17En hij zal zijn aangezicht stellen, om met de kracht van zijn hele rijk te komen, en hij zal redelijke voorwaarden medebrengen, en hij zal het doen; want hij zal hem een dochter van de vrouwen geven, om haar te verderven, maar zij zal niet vast staan, en zij zal voor hem niet zijn.

18Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keren, en hij zal er vele innemen; maar een overste zal zijn smaad tegen hem doen ophouden, behalve dat hij zijn smaad op hem zal doen terugkeren.

19En hij zal zijn aangezicht keren naar de vestingen van zijn land, en hij zal aanstoten, en vallen, en niet gevonden worden.

20En in zijn staat zal er een opstaan, doende een geldeiser doortrekken, in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in enige dagen gebroken worden, toch niet door toornvlagen, noch door oorlog.

21Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, die men de koninklijke waardigheid niet zal geven; maar hij zal in stilheid komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.

22En de armen van de overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook de vorst van het verbond.

23En na de vereniging met hem zal hij bedrog plegen, en hij zal optrekken, en hij zal met weinig volk gesterkt worden.

24Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen van het gewest komen, en hij zal doen, dat zijn vaders, of de vaders van zijn vaders, niet gedaan hebben; roof, en buit, en goederen, zal hij onder hen uitstrooien, en hij zal tegen de vestingen zijn gedachten denken, maar tot een zekere tijd toe.

25En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen de koning van het Zuiden, met een grote legermacht; en de koning van het Zuiden zal zich in de strijd mengen met een grote en zeer machtige legermacht; maar hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken.

26En die de stukken van zijn voedsel zullen eten, zullen hem breken, en de legermacht daarvan zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen.

27En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan één tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben op de vastgestelde tijd.

28En hij zal in zijn land terugkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen, en terugkeren in zijn land.

29Ter bestemder tijd zal hij terugkeren, en tegen het Zuiden komen, maar het zal niet zijn gelijk de eerste, noch gelijk de laatste reize.

30Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal terugkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters van het heilige verbond.

31En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de vesting, en zij zullen het voortdurende offer wegnemen, en een verwoestende gruwel stellen.

32En die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen.

33En de leraars van het volk zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen.

34Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden; maar velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen.

35En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot de tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemde tijd.

36En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelf verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen de God van de goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de toorn voltooid zij, want het is vast besloten, het zal gebeuren.

37En op de goden van zijn vaders zal hij geen acht geven, noch op de begeerte van de vrouwen; hij zal ook op geen God acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken.

38En hij zal de god Mauzzim in zijn standplaats eren; namelijk de god, welke zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenste dingen.

39En hij zal de bolwerken van de vestingen maken met de vreemde god; aan hen, die hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heersen over velen, en hij zal het land uitdelen om prijs.

40En op de tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagens, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken.

41En hij zal komen in het land van het sieraad, en vele landen zullen neergeworpen worden; maar deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen van de kinderen Ammons.

42En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen.

43En hij zal heersen over de verborgen schatten van het goud en van het zilver, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libye, en de Moren zullen in zijn gangen wezen.

44Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote woede om velen te vernietigen en te verbannen.

45En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeën aan de berg van het heilige sieraad; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen helper hebben.