Daniël 12
Lees Daniël 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De verlossing van Gods volk, vers 1 enz. Hoe lang de moeilijkheden nog zouden duren, 4. Daniël verlangt dit te weten, 6. De engel geeft het hem te kennen, 7. Maar hij verstond het niet, 8. Hem wordt bevolen zich gerust te houden, 13.
1En in die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen van uw volk staat, als het zulk een tijd van de benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op die tijd toe; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.
2En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en anderen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.
3De leraars nu zullen blinken, als de glans van het uitspansel, en die er velen rechtvaardigen, zoals de sterren, altijd en eeuwig.
4En u, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot de tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.
5En ik, Daniël, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de één aan deze zijde van de oever van de rivier, en de ander aan de overzijde van de oever van de rivier.
6En hij zei tot de Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen?
7En ik hoorde die Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar de hemel, en zwoer bij Die, Die eeuwig leeft, dat na een bestemde tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voltooid hebben te verstrooien de hand van het heilige volk, al deze dingen voltooid zullen worden.
8Dit hoorde ik, maar ik verstond het niet; en ik zei: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen?
9En Hij zei: Ga heen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot de tijd van het einde.
10Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; maar de goddelozen zullen goddeloos handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.
11En van die tijd af, dat het voortdurende offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.
12Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.
13Maar u, ga heen tot het einde, want u zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde van de dagen.