Daniël 2
Lees Daniël 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De koning Nebukadnezar droomt een droom, die hij vergeten is, en hij verlangt die van de wijzen van de Chaldeeën te weten, vers 1 enz. Daar zij dat niet kunnen doen, worden zij ter dood veroordeeld, 12. De droom wordt aan Daniël in een gezicht geopenbaard, nadat hij en zijn metgezellen God de HEERE ijverig gebeden hadden, 17. Daarvoor danken zij God, 23. En Daniël maakt de koning de droom bekend, met de uitlegging daarvan, 25. Daarom wordt Daniël door de koning verhoogd, 46.
1In het tweede jaar nu van het koninkrijk van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken.
2Toen zei de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de bezweerders, en de Chaldeeën, om de koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht van de koning.
3En de koning zei tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om die droom te weten.
4Toen spraken de Chaldeeën, tot de koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten de droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.
5De koning antwoordde en zei tot de Chaldeeën: De zaak is mij ontgaan; als u mij de droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, u zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een mesthoop gemaakt worden.
6Maar als u de droom en zijn uitlegging te kennen geeft, zo zult u geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij de droom en zijn uitlegging te kennen.
7Zij antwoordden voor de tweede keer, en zeiden: De koning zegge zijn knechten de droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven.
8De koning antwoordde en zei: Ik weet zeker, dat u de tijd uitkoopt, omdat u ziet, dat de zaak mij ontgaan is.
9Als u mij die droom niet te kennen geeft, uw vonnis is dezelfde; daarom hebt u een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij de droom, dan zal ik weten, dat u mij de uitlegging daarvan zult te kennen geven.
10De Chaldeeën antwoordden voor de koning, en zeiden: Er is geen mens op de aardbodem, die het woord van de koning zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enige tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeer.
11Want de zaak die de koning begeert, is te zwaar; en er is niemand anders, die dat voor de koning te kennen kan geven, dan de goden, van wie de woning bij het vlees niet is.
12Daarom werd de koning boos en zeer toornig, en zei, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen.
13Die wet dan ging uit, en de wijzen werden gedood; men zocht ook Daniël en zijn metgezellen, om gedood te worden.
14Toen bracht Daniël een raad en oordeel in, aan Arioch, de overste van de lijfwachten van de koning, die uitgetogen was, om de wijzen van Babel te doden.
15Hij antwoordde en zei tot Arioch, de bevelhebber van de koning: Waarom zou de wet van 's konings wege zo verhaast worden? Toen gaf Arioch aan Daniël de zaak te kennen.
16En Daniël ging in, en verzocht van de koning, dat hij hem een bestemde tijd wilde geven, dat hij de koning de uitlegging te kennen gave.
17Toen ging Daniël naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijn metgezellen, Hananja, Misael, en Azarja te kennen;
18Opdat zij van de God van de hemel barmhartigheden verzochten over dit geheim, dat Daniël en zijn metgezellen met de overige wijzen van Babel niet omkwamen.
19Toen werd aan Daniël in een nachtgezicht het geheim geopenbaard; toen loofde Daniël de God van de hemel.
20Daniël antwoordde en zei: De Naam van God zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijn is de wijsheid en de kracht.
21Want Hij verandert de tijden en tijdstippen; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft de wijzen wijsheid, en wetenschap aan hen, die verstand hebben;
22Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem.
23Ik dank en ik loof U, o God van mijn vaders! omdat U mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want U hebt ons de zaak van de koning bekend gemaakt.
24Daarom ging Daniël in tot Arioch, die de koning gesteld had om de wijzen van Babel om te brengen; hij ging heen en zei zo tot hem: Breng de wijzen van Babel niet om, maar breng mij in voor de koning, en ik zal de koning de uitlegging te kennen geven.
25Toen bracht Arioch met haast Daniël voor de koning, en hij sprak zo tot hem: Ik heb een man van de als gevangene weggevoerden van Juda gevonden, die de koning de uitlegging zal bekend maken.
26De koning antwoordde en zei tot Daniël, wiens naam Beltsazar was: Bent u machtig mij bekend te maken de droom, die ik gezien heb, en zijn uitlegging?
27Daniël antwoordde voor de koning, en zei: Het geheim, dat de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrekijkers, de tovenaars, en de waarzeggers de koning niet te kennen geven;
28Maar er is een God in de hemel, Die geheimen openbaart, Die heeft de koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er gebeuren zal in het laatste van de dagen; uw droom, en de visioenen van uw hoofd op uw leger, zijn deze:
29U, o koning! op uw bed zijnde, klommen uw gedachten op, wat hierna gebeuren zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er gebeuren zal.
30Mij nu, mij is het geheim geopenbaard, niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden; maar daarom opdat men de koning de uitlegging zou bekend maken, en opdat u de gedachten van uw hart zou weten.
31U, o koning! zag, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was voortreffelijk, en de glans daarvan was uitnemend), staande tegen u over; en zijn gedaante was schrikkelijk.
32Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper;
33Zijn benen van ijzer; zijn voeten deels van ijzer, en deels van leem.
34Dit zag u, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.
35Toen werden samen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren van de zomer, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats daarvoor gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een grote berg, zo dat hij de hele aarde vervulde.
36Dit is de droom; zijn uitlegging nu zullen wij voor de koning zeggen.
37U, o koning! bent een koning van de koningen; want de God van de hemel heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven;
38En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten van het veld en de vogels van de hemel in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over die allen; u bent dat gouden hoofd.
39En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, dat heersen zal over de hele aarde.
40En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk nu het ijzer, dat dat alles verbreekt, zo zal het vermalen en verbreken.
41En dat u gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, maar daar zal van de vastheid van het ijzer in zijn, in welk opzicht u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem;
42En de tenen van de voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos.
43En dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de één aan de ander niet hechten, zoals zich ijzer met leem niet vermengt.
44Maar in de dagen van die koningen zal de God van de hemel een Koninkrijk verwekken, dat in de eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.
45Daarom hebt u gezien, dat uit de berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft de koning bekend gemaakt, wat hierna gebeuren zal; de droom nu is zeker, en zijn uitlegging is zeker.
46Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en aanbad Daniël; en hij zei, dat men hem met voedseloffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou.
47De koning antwoordde Daniël en zei: Het is de waarheid, dat uw God een God van de goden is, en een Heere van de koningen, en Die de geheimen openbaart, omdat u dit geheim hebt kunnen openbaren.
48Toen maakte de koning Daniël groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het hele gewest van Babel, en een overste van de overheden over al de wijzen van Babel.
49Toen verzocht Daniël van de koning; en hij stelde Sadrach, Mesach en Abed-nego over de bediening van het gewest van Babel; maar Daniël bleef aan de poort van de koning.