Daniël 8
Lees Daniël 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De HEERE vertoont aan Daniël in een gezicht de strijd tussen de ram en de bok, en hetgeen na die strijd zou volgen, vers 1 enz. De engel Gabriël vertroost Daniël en legt hem, op bevel van Christus, dat gezicht uit, 15. Daniël is hierover zeer ontsteld, 27.
1In het derde jaar van het koninkrijk van de koning Belsazar, verscheen mij een visioen, mij Daniël, na wat mij in het eerste verschenen was.
2En ik zag een visioen, (het gebeurde nu, toen ik het zag, dat ik in de burg Susan was, die in het gewest Elam is) ik zag dan in een visioen, dat ik aan de vloed Ulai was.
3En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor die vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de één was hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste op.
4Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stootte, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot.
5Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over de hele aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijke hoorn tussen zijn ogen.
6En hij kwam tot de ram, die de twee hoornen had, die ik had zien staan voor de vloed; en hij liep op hem aan in de woede van zijn kracht.
7En ik zag hem, nakende aan de ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stootte de ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in de ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die de ram uit zijn hand verloste.
8En de geitenbok maakte zich bovenmate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan zijn plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden van de hemel.
9En uit één van die kwam voort een kleine hoorn, die uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land.
10En hij werd groot tot aan het leger van de hemel; en hij wierp er sommigen van dat leger, namelijk van de sterren, ter aarde neer, en hij vertrad ze.
11Ja, hij maakte zich groot tot aan de Vorst van dat leger, en van Hem werd weggenomen het voortdurende offer, en de woning van Zijn heiligdom werd neergeworpen.
12En het leger werd in de afval overgegeven tegen het voortdurende offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.
13Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zei tot de onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat visioen van het voortdurende offer en van de verwoestende afval zijn, dat zo het heiligdom als het leger ter vertreding zal overgegeven worden?
14En hij zei tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.
15En het gebeurde, toen ik dat visioen zag, ik Daniël, zo zocht ik het verstand daarvan, en ziet, er stond voor mij als de gedaante van een man.
16En ik hoorde tussen Ulai de stem van een mens, die riep en zei: Gabriël! geef deze het visioen te verstaan.
17En hij kwam naast waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik, en viel op mijn aangezicht. Toen zei hij tot mij: Versta, u mensenkind! want dit visioen zal zijn tot de tijd van het einde.
18Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepe slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats.
19En hij zei: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er gebeuren zal ten einde van deze toorn; want op de vastgestelde tijd zal het einde zijn.
20De ram met de twee hoornen, die u gezien hebt, zijn de koningen van de Meden en van de Perzen.
21Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning.
22Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, maar niet met zijn kracht.
23Maar op het laatste van hun koninkrijk, als het de afvalligen op het hoogste gebracht zullen hebben, zo zal er een koning staan, stijf van aangezicht, en raadselen verstaande;
24En zijn kracht zal sterk worden, maar niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken, en ook het heilige volk verderven;
25En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen strekken in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen de Vorst van de vorsten, maar hij zal zonder hand verbroken worden.
26Het visioen nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en u, sluit dit visioen toe, want er zijn nog vele dagen toe.
27Toen werd ik, Daniël, zwak, en was enige dagen ziek; daarna stond ik op, en deed het werk van de koning; en ik was ontzet over dit visioen; maar niemand merkte het.