Deuteronomium 1
Lees Deuteronomium 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Waar en wanneer Mozes de wet van God herhaald heeft, vers 1, enz. Kort verhaal van wat met Israel gebeurde vanaf de tijd dat zij van Horeb vertrokken tot zij bij Kades-Barnea kwamen, namelijk: Gods bevel om te vertrekken, met belofte, 6. Instelling van rechters en ambtslieden, 9. Reis door de woestijn en aankomst bij Kades-Barnea, 19. uitzending, terugkeer en verslag van de verspieders, 22. weerspannigheid en gemopper van het volk, 26. Gods toorn en vonnis tegen de ongehoorzamen, 34. Die tegen Gods bevel optrekken, door de Amorieten geslagen worden en, hoewel zij klagen, door God niet verhoord worden, 41.
1Dit zijn de woorden, die Mozes tot geheel Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab.
2Elf dagreizen zijn het van Horeb, door de weg van het gebergte Seïr, tot aan Kades-barnea.
3En het is gebeurd in het veertigste jaar, in de elfde maand, op de eerste van de maand, dat Mozes sprak tot de Israëlieten, naar alles wat hem JAHWEH aan hen bevolen had;
4Nadat hij geslagen had Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, de koning van Bazan, die woonde in Astharoth, te Edreï.
5Aan deze zijde van de Jordaan, in het land van Moab, hief Mozes aan, deze wet uit te leggen, zeggende:
6JAHWEH, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: U bent lang genoeg bij deze berg gebleven.
7Keer u, en vertrekt, en gaat in het gebergte van de Amorieten, en tot al hun buren, in het vlakke veld, op het gebergte, en in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens van de zee; het land van de Kanaänieten, en de Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier Frath.
8Zie, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; ga daarin, en bezit erfelijk het land, dat JAHWEH aan uw vaders, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.
9En ik sprak in die tijd tot u, zeggende: Ik alleen zal u niet kunnen dragen.
10JAHWEH, uw God, heeft u vermenigvuldigd, en zie, u bent vandaag als de sterren van de hemel in menigte.
11JAHWEH, uw vaders God, doe tot u, zo als u nu bent, duizendmaal meer, en Hij zegene u, zoals Hij tot u gesproken heeft!
12Hoe zou ik alleen uw moeite, en uw last, en uw twistzaken dragen?
13Neem u wijze, en verstandige, en ervarene mannen, van uw stammen, dat ik hen tot uw hoofden stelle.
14Toen antwoordde u mij, en zei: Dit woord is goed, dat u gesproken hebt, om te doen.
15Zo nam ik de hoofden van uw stammen, wijze en ervarene mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderden, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en voormannen voor uw stammen.
16En ik gebood uw rechters in die tijd, zeggende: Hoor de verschillen tussen uw broers, en richt recht tussen de man en tussen zijn broer, en tussen zijn vreemdeling.
17U zult het aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de kleine, zowel als de grote, horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is van God; maar de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen.
18Zo gebood ik u in die tijd alle zaken, die u zou doen.
19Toen vertrokken wij van Horeb, en doorwandelden die gehele grote en vreselijke woestijn, die u gezien hebt, op de weg van het gebergte van de Amorieten, zoals JAHWEH, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-barnea.
20Toen zei ik tot u: U bent gekomen tot het gebergte van de Amorieten, dat JAHWEH, onze God, ons geven zal.
21Zie, JAHWEH, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trek op, bezit het erfelijk, zoals JAHWEH, uw vaders God, tot u gesproken heeft; vrees niet, en ontzet u niet.
22Toen naderde u allen tot mij, en zei: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons bescheid terugbrengen, welke weg wij daarin optrekken zullen, en tot welke steden wij komen zullen.
23Deze zaak nu was goed in mijn ogen; zo nam ik uit u twaalf mannen, van elke stam een man.
24Die keerden zich, en trokken op naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol, en verspiedden het.
25En zij namen van de vrucht van het land in hun hand, en brachten ze tot ons af, en zeiden ons bescheid weer, en zeiden: Het land, dat JAHWEH, onze God, ons geven zal, is goed.
26Maar u wilde niet optrekken; maar u was de mond van JAHWEH, van uw God, opstandig.
27En u morde in uw tenten, en zei: Omdat JAHWEH ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons levere in de hand van de Amorieten, om ons te vernietigen.
28Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien.
29Toen zei ik tot u: Verschrikt niet, en vreest niet voor hen.
30JAHWEH, uw God, Die voor uw aangezicht wandelt, Die zal voor u strijden, naar alles, wat Hij bij u voor uw ogen gedaan heeft in Egypte.
31En in de woestijn, waar u gezien hebt, dat JAHWEH uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijn zoon draagt, op al de weg, die u gewandeld hebt, totdat u kwam aan deze plaats.
32Maar door dit woord geloofde u niet aan JAHWEH, uw God.
33Die voor uw aangezicht op de weg wandelde, om u de plaats uit te zien, waar u zou legeren; in de nacht in het vuur, opdat Hij u de weg wees, waarin u zou gaan, en overdag in de wolk.
34Als nu JAHWEH de stem van uw woorden hoorde, zo werd Hij zeer boos, en zwoer, zeggende:
35Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaders te zullen geven!
36Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft JAHWEH na te volgen.
37Ook vertoornde zich JAHWEH op mij om uwentwil, zeggende: U zult daar ook niet inkomen.
38Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk hem, want hij zal het Israël doen erven.
39En uw kinderen, waarvan u zei: Zij zullen tot een roof zijn; en uw kinderen, die vandaag noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en die zal Ik het geven, en die zullen het erfelijk bezitten.
40U daarentegen, keert u, en reist naar de woestijn, de weg van de Schelfzee.
41Toen antwoordde u, en zei tot mij: Wij hebben tegen JAHWEH gezondigd; wij zullen optrekken, en strijden, naar alles, wat JAHWEH, onze God, ons geboden heeft. Als u nu ieder zijn krijgsgereedschap aangordde, en willens was, om naar het gebergte heen op te trekken,
42Zo zei JAHWEH tot mij: Zeg hun: Trek niet op, en strijdt niet, want Ik ben niet in het midden van u; opdat u niet voor het aangezicht van uw vijanden geslagen wordt.
43Maar als ik tot u sprak, zo hoorde u niet, maar was de mond van JAHWEH opstandig, en handelde trots, en trok op naar het gebergte.
44Toen trokken de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, zoals de bijen doen; en zij verpletterden u in Seïr tot Horma toe.
45Als u nu terugkwam en huilde voor het aangezicht van JAHWEH, zo verhoorde JAHWEH uw stem niet, en neigde Zijn oren niet tot u.
46Zo bleef u in Kades vele dagen, naar de dagen, dat u er bleef.