BijbelDeuteronomium

Deuteronomium 10

Lees Deuteronomium 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Verhaal van het maken van de twee andere stenen tafelen en het inschrijven van de tien geboden daarop, en ook van de kist of ark waarin Mozes ze wegborg, vers 1, enz. Aarons dood en de afzondering van de stam Levi voor de dienst van de HEERE, 6. Mozes' verblijf op de berg, 10. Een heerlijke vermaning aan Israel tot het vrezen van God, gehoorzaamheid en liefde voor de naaste, in het bijzonder voor de vreemdelingen, en ook tot kennis van de ware God, met verschillende aangrijpende redenen, 12.

1In die tijd zei JAHWEH tot mij: Houw u twee stenen tafelen, als de eerste, en klim tot Mij op deze berg; daarna zult u zich een kist van hout maken.

2En Ik zal op die tafelen schrijven de woorden, die geweest zijn op de eerste tafelen, die u gebroken hebt; en u zult ze leggen in die kist.

3Zo maakte ik een kist van sittimhout, en hieuw twee stenen tafelen als de eerste; en ik klom op de berg, en de twee tafelen waren in mijn hand.

4Toen schreef Hij op de tafelen, naar het eerste schrift, de tien woorden, die JAHWEH, op de dag van de verzameling, op de berg, uit het midden van het vuur, tot u gesproken had; en JAHWEH gaf ze mij.

5En ik keerde mij, en ging af van de berg, en legde de tafelen in de kist, die ik gemaakt had; en daar zijn zij, zoals JAHWEH mij geboden heeft.

6(En de Israëlieten reisden van Beëroth Bene-Jaäkan en Mosera. Daar stierf Aäron, en werd daar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijn plaats.

7Van daar reisden zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbath, een land van waterbeken.)

8In die tijd scheidde JAHWEH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van JAHWEH te dragen, om voor het aangezicht van JAHWEH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.

9Daarom heeft Levi geen deel noch erfenis met zijn broers; JAHWEH is zijn Erfdeel, zoals JAHWEH, uw God, tot hem gesproken heeft.

10En ik stond op de berg, als de vorige dagen, veertig dagen en veertig nachten; en JAHWEH verhoorde mij ook op datzelfde moment; JAHWEH heeft u niet willen verderven.

11Maar JAHWEH zei tot mij: Sta op, ga op de reize, voor het aangezicht van het volk, dat zij inkomen, en erven het land, dat Ik hun vaders gezworen heb, hun te geven.

12Nu dan, Israël! wat eist JAHWEH, uw God van u dan JAHWEH, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en JAHWEH, uw God, te dienen, met uw hele hart en met uw hele ziel;

13Om te houden de geboden van JAHWEH, en Zijn voorschriften, die ik u vandaag gebiede, u ten goede.

14Zie, van JAHWEH, van uw God, is de hemel, en de hemel van de hemelen, de aarde, en al wat daarin is.

15Alleen heeft JAHWEH lust gehad aan uw vaders, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, u, uit al de volken gekozen, zoals het op deze dag is.

16Besnijd dan de voorhuid van uw hart, en verhardt uw nek niet meer.

17Want JAHWEH, uw God, is een God van de goden, en een Heere van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt;

18Die het recht van de wees en van de weduwe doet; en de vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve.

19Daarom zult u de vreemdeling liefhebben, want u bent vreemdelingen geweest in Egypteland.

20JAHWEH, uw God, zult u vrezen; Hem zult u dienen, en Hem zult u aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.

21Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben.

22Uw vaders trokken af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u JAHWEH, uw God, gesteld als de sterren van de hemel in menigte.