Deuteronomium 11
Lees Deuteronomium 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Mozes vermaant Israel opnieuw om Gods geboden te onderhouden, ten eerste met verhaal van Gods weldaden en wonderwerken aan hen bewezen, vers 1, enz. ten tweede met beschrijving van het beloofde land, 9. ten derde met belofte van geschikt weer en vruchtbaarheid van het land, 13. ten vierde met dreigementen van het tegendeel, in geval van afwijking, 16. vermaning om Gods geboden steeds voor ogen te houden en de kinderen te leren, met mooie beloften, 18. Voorstelling van zegen en vloek, 26. Bevel en ordening over het uitspreken daarvan wanneer zij in Kanaan gekomen zouden zijn.
1Daarom zult u JAHWEH, uw God, liefhebben, en u zult altijd onderhouden Zijn bevel, en Zijn voorschriften, en Zijn rechten, en Zijn geboden.
2En u zult vandaag weten, dat ik niet spreek met uw kinderen, die het niet weten, en de onderwijzing van JAHWEH, van uw God, niet gezien hebben. Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekte arm;
3Daartoe Zijn tekenen en Zijn daden, die Hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Farao, de koning van Egypte, en aan zijn hele land;
4En wat Hij gedaan heeft aan het leger van de Egyptenaren, aan zijn paarden en aan zijn wagens; dat Hij de wateren van de Schelfzee boven hun aangezicht deed overzwemmen, als zij u van achteren vervolgden; en JAHWEH verdeed hen, tot op deze dag.
5En wat Hij u gedaan heeft in de woestijn, totdat u gekomen bent aan deze plaats.
6Daarboven, wat Hij gedaan heeft aan Dathan, en aan Abiram, zonen van Eliab, de zoon van Ruben; hoe de aarde haar mond opendeed, en hen verslond met hun huisgezinnen, en hun tenten, ja, al wat bestond, dat hun aanging, in het midden van geheel Israël.
7Want het zijn uw ogen, die gezien hebben al dit grote werk van JAHWEH, dat Hij gedaan heeft.
8Houd dan alle geboden, die ik u vandaag gebiede; opdat u gesterkt wordt en inkomt, en erft het land, waarheen u overtrekt, om dat te erven;
9En opdat u de dagen verlengt in het land, dat JAHWEH uw vaders gezworen heeft, aan hen en aan hun zaad te geven; een land, vloeiende van melk en honing.
10Want het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, vanwaar u uitgegaan bent, dat u bezaaide met uw zaad, en bewaterde met uw gang, als een kruidhof.
11Maar het land, waarheen u overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij de regen van de hemel;
12Een land, dat JAHWEH, uw God, bezorgt; de ogen van JAHWEH, van uw God, zijn steeds daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar.
13En het zal gebeuren, zo u ijverig zult horen naar Mijn geboden, die Ik u vandaag gebiede, om JAHWEH, uw God, lief te hebben, en Hem te dienen, met uw hele hart en met uw hele ziel;
14Zo zal Ik de regen van uw land geven te zijner tijd, vroege regen en spade regen, opdat u uw koren, en uw nieuwe wijn, en uw olie inzamelt.
15En Ik zal kruid geven op uw veld voor uw beesten; en u zult eten en verzadigd worden.
16Pas op dat uw hart niet verleid wordt, dat u afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt;
17Dat de toorn van JAHWEH tegen u ontsteke, en Hij de hemel toesluite, dat er geen regen zij, en de aarde haar gewas niet geve; en u haastig omkomt van het goede land, dat u JAHWEH geeft.
18Leg dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdsbanden zijn tussen uw ogen;
19En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als u in uw huis zit, en als u op de weg gaat, en als u neerligt, en als u opstaat;
20En schrijft ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten;
21Opdat uw dagen, en de dagen van uw kinderen, in het land, dat JAHWEH uw vaders gezworen heeft hun te geven, vermenigvuldigen, zoals de dagen van de hemel op de aarde.
22Want zo u ijverig houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, JAHWEH, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende;
23Zo zal JAHWEH al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en u zult erfelijk bezitten groter en machtiger volken, dan u bent.
24Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en de Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw gebied zijn.
25Niemand zal voor uw aangezicht bestaan; JAHWEH, uw God, zal uw schrik en uw vrees geven over al het land, waarop u treden zult, zoals Hij tot u gesproken heeft.
26Zie, ik stel u vandaag voor, zegen en vloek:
27De zegen, wanneer u horen zult naar de geboden van JAHWEH, van uw God, die ik u vandaag gebiede;
28Maar de vloek, zo u niet horen zult naar de geboden van JAHWEH, van uw God, en afwijkt van de weg, die ik u vandaag gebiede, om andere goden na te wandelen, die u niet gekend hebt.
29En het zal gebeuren, als u JAHWEH, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; dan zult u de zegen uitspreken op de berg Gerizim, en de vloek op de berg Ebal.
30Zijn zij niet aan de overzijde van de Jordaan, achter de weg van de ondergang van de zon, in het land van de Kanaänieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van More?
31Want u zult over de Jordaan gaan, dat u inkomt om te erven dat land, dat JAHWEH, uw God, u geven zal; en u zult het erfelijk bezitten, en daarin wonen.
32Neem dan waar te doen al de voorschriften en de rechten, die ik u vandaag voorstel.