Deuteronomium 14
Lees Deuteronomium 14 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Verbod van heidense rouw over doden, vers 1, enz. welk gedierte toegestaan of verboden was te eten, 3. over het opbrengen en gebruik van de tienden, 22.
1U bent kinderen van JAHWEH, van uw God; u zult uzelf niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.
2Want u bent een heilig volk voor JAHWEH, uw God; en u heeft JAHWEH gekozen, om Hem tot een eigendomsvolk te zijn, uit al de volken, die op de aardbodem zijn.
3U zult geen gruwel eten.
4Dit zijn de beesten, die u eten zult; een os, klein vee van de schapen, en klein vee van de geiten;
5Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems.
6Alle beesten, die gespleten hoeven hebben, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult u eten.
7Maar deze zult u niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die alleen gespleten hoeven hebben: de kameel, en de haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij hebben geen gespleten hoeven; onrein zullen zij u zijn.
8Ook het varken; want dat heeft wel gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; onrein zal het u zijn; van hun vlees zult u niet eten, en hun kadaver zult u niet aanroeren.
9Dit zult u eten van alles, wat in de wateren is; al wat vinnen en schubben heeft, zult u eten.
10Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult u niet eten; het zal u onrein zijn.
11Alle reine vogel zult u eten.
12Maar deze zijn het, van die u niet zult eten: de adelaar, en de havik, en de zeearend;
13En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;
14En alle raven naar zijn aard;
15En de struisvogel, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;
16En de steenuil, en de ransuil, en de kauw,
17En de roerdomp, en de pelikaan, en de visarend;
18En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vleermuis;
19Ook al het kruipend gevogelte zal u onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.
20Al het rein gevogelte zult u eten.
21U zult geen kadaver eten; de vreemdeling, die in uw poorten is, zult u het geven, dat hij het ete, of verkoopt het de vreemde; want u bent een heilig volk voor JAHWEH, uw God. U zult het bokje niet koken in de melk van zijn moeder.
22U zult trouw vertienen al het inkomen van uw zaad, dat elk jaar van het veld voortkomt.
23En voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen, zult u eten de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn, en van uw olie, en de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen; opdat u JAHWEH, uw God, leert vrezen alle dagen.
24Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat u dat niet zou kunnen heendragen, omdat de plaats te ver van u zal zijn, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te stellen; wanneer JAHWEH, uw God, u zal gezegend hebben;
25Zo maak het tot geld, en bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal;
26En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterke drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet daar voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, en wees vrolijk, u en uw huis.
27Maar de Leviet, die in uw poorten is, zult u niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erfenis met u.
28Ten einde van drie jaar zult u voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelfde jaar, en u zult ze wegleggen in uw poorten;
29Zo zal komen de Leviet, omdat hij geen deel noch erfenis met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u JAHWEH, uw God, zegene in al het werk van uw hand, dat u doen zult.