BijbelDeuteronomium

Deuteronomium 15

Lees Deuteronomium 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wanneer en hoe zij het vrijjaar moesten houden, vers 1, enz. Een ernstig bevel om voor de armen in Israel te zorgen, met belofte van Gods zegen, 7. Over de vrijlating van de gekochte Hebreeuwse knechten en dienstmaagden, en hoe men met hen moest handelen indien zij wilden blijven, 12. Over het heiligen van het eerstgeboren vee, 19.

1Ten einde van zeven jaren zult u een vrijlating maken.

2Dit nu is de zaak van de vrijlating, dat ieder schuldeiser, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broer niet aanmanen, omdat men voor JAHWEH een vrijlating heeft uitgeroepen.

3De buitenlander zult u aanmanen; maar wat u bij uw broer hebt, zal uw hand vrijlaten;

4Alleen, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want JAHWEH zal u overvloedig zegenen in het land, dat u JAHWEH, uw God, als erfenis zal geven, om hetzelfde erfelijk te bezitten;

5Als u slechts de stem van JAHWEH, van uw God, vlijtig zult gehoorzamen, dat u waarneemt te doen al deze geboden, die ik u vandaag gebiede.

6Want JAHWEH, uw God, zal u zegenen, zoals Hij tot u heeft gesproken, zo zult u aan vele volken lenen; maar u zult niet ontlenen; en u zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen.

7Wanneer er onder u een arme zal zijn, één uit uw broers, in één van uw poorten, in uw land, dat JAHWEH, uw God, u geven zal, zo zult u uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broer, die arm is;

8Maar u zult hem uw hand gul opendoen, en zult hem rijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.

9Pas op dat in uw hart geen Belialswoord zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar van de vrijlating, naakt; dat uw oog boos zij tegen uw broer, die arm is, en dat u hem niet geeft; en hij over u roepe tot JAHWEH, en zonde in u zij.

10U zult hem gul geven, en uw hart zal niet boos zijn, als u hem geeft; want omwille van deze zaak zal u JAHWEH, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan u uw hand slaat.

11Want de arme zal niet ophouden uit het midden van het land; daarom gebiede ik u, zeggende: U zult uw hand gul opendoen aan uw broer, aan uw bedrukten en aan uw armen in uw land.

12Wanneer uw broer, een Hebreër of een Hebreïnne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult u hem vrij van u laten gaan.

13En als u hem vrij van u gaan laat, zo zult u hem niet leeg laten gaan:

14U zult hem rijk opleggen van uw kudde, en van uw dorsvloer, en van uw wijnpers; waarin u JAHWEH, uw God, gezegend heeft, daarvan zult u hem geven.

15En u zult gedenken, dat u een dienaar in Egypteland geweest bent, en dat u JAHWEH, uw God, verlost heeft; daarom gebiede ik u vandaag deze zaak.

16Maar het zal gebeuren, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, omdat het hem wel bij u is;

17Zo zult u een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwig uw dienaar zijn; en aan uw dienstmaagd zult u ook zo doen.

18Het zal niet hard zijn in uw ogen, als u hem vrij van u gaan laat; want als een dubbel-loons-dagloner heeft hij u zes jaren gediend; zo zal u JAHWEH, uw God, zegenen in alles, wat u doen zult.

19Al het eerstgeborene, dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde een mannetje, zult u voor JAHWEH, uw God, heiligen; u zult niet arbeiden met de eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene van uw schapen scheren.

20Voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, zult u ze jaar op jaar eten in de plaats, die JAHWEH zal verkiezen, u en uw huis.

21Maar als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult u het JAHWEH, uw God, niet offeren;

22In uw poorten zult u het eten; de onreine en de reine samen, als een ree, en als een hert,

23Zijn bloed alleen zult u niet eten; u zult het op de aarde uitgieten als water.