Deuteronomium 16
Lees Deuteronomium 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Over het houden van de feesten, namelijk pascha, vers 1, enz. pinksteren, 9. loofhuttenfeest, 13. wie, waar en hoe zij op deze feesten moesten verschijnen, 16. over het ambt van de rechters, 18. over afgodische bossen en pilaren, 21.
1Neem waar de maand Abib, dat u voor JAHWEH, uw God, pascha houdt; want in de maand Abib heeft u JAHWEH, uw God, uit Egypteland uitgevoerd, bij nacht.
2Dan zult u voor JAHWEH, uw God, het pascha slachten, schapen en runderen, in de plaats, die JAHWEH verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen.
3U zult niets gedesemds op hetzelfde eten; zeven dagen zult u ongezuurde broden op hetzelfde eten, een brood van de ellende, (want in haast bent u uit Egypteland uitgetrokken); opdat u gedenkt aan de dag van uw uittrekken uit Egypteland, al de dagen van uw leven.
4Er zal bij u in zeven dagen geen zuurdeeg gezien worden in enig deel van uw gebied; ook zal van het vlees, dat u aan de avond van de eerste dag geslacht zult hebben, niets tot de morgen overnachten.
5U zult het pascha niet mogen slachten in één van uw poorten, die JAHWEH, uw God, u geeft.
6Maar aan de plaats, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, daar zult u het pascha slachten aan de avond, als de zon ondergaat, op de vastgestelde tijd van uw uittrekken uit Egypte.
7Dan zult u het koken en eten in de plaats, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal; daarna zult u zich 's morgens keren, en heengaan naar uw tenten.
8Zes dagen zult u ongezuurde broden eten, en aan de zevende dag is een verbodsdag voor JAHWEH, uw God; dan zult u geen werk doen.
9Zeven weken zult u zich tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult u de zeven weken beginnen te tellen.
10Daarna zult u voor JAHWEH, uw God, het wekenfeest houden; het zal een vrijwillige schatting van uw hand zijn, dat u geven zult, naardat u JAHWEH, uw God, zal gezegend hebben.
11En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die JAHWEH, uw God, zal verkiezen, om Zijn Naam daar te doen wonen.
12En u zult gedenken, dat u een dienaar geweest bent in Egypte; en u zult deze voorschriften houden en doen.
13Het feest van de loofhutten zult u zich zeven dagen houden, als u zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers.
14En u zult vrolijk zijn op uw feest, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn.
15Zeven dagen zult u voor JAHWEH, uw God, feest houden, in de plaats, die JAHWEH verkiezen zal; want JAHWEH, uw God, zal u zegenen in al uw inkomen, en in al het werk van uw handen; daarom zult u immers vrolijk zijn.
16Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het wekenfeest, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van JAHWEH verschijnen:
17Een ieder, naar de gave van zijn hand, naar de zegen van JAHWEH, van uw God, die Hij u gegeven heeft.
18Rechters en voormannen zult u zich stellen in al uw poorten, die JAHWEH, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht van de gerechtigheid.
19U zult het gericht niet buigen; u zult het aangezicht niet kennen; ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen van de wijzen, en verkeert de woorden van de rechtvaardigen.
20Gerechtigheid, gerechtigheid zult u najagen; opdat u leeft, en erfelijk bezit het land, dat u JAHWEH, uw God, geven zal.
21U zult u geen bos planten van enig geboomte, bij het altaar van JAHWEH, van uw God, dat u zich maken zult.
22Ook zult u zich geen opgericht beeld stellen, dat JAHWEH, uw God, haat.