BijbelDeuteronomium

Deuteronomium 18

Lees Deuteronomium 18 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Over het erfdeel en recht van de priesters en Levieten op offers en eerstelingen, vers 1, enz. verbod om de heidense, afgodische, duivelse gruwelen na te volgen, 9. Een zeer heerlijke belofte over de zending van onze Heere Christus, die het hoofd van alle profeten is, 15. over de straf en het kenmerk van een valse profeet, 20.

1De Levietische priesters, de hele stam van Levi, zullen geen deel noch erfenis hebben met Israël; de vuuroffers van JAHWEH en zijn erfdeel zullen zij eten.

2Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden van zijn broers; JAHWEH is zijn Erfdeel, zoals Hij tot hem gesproken heeft.

3Dit nu zal het recht van de priester zijn van het volk, van hen, die een offergave offeren, hetzij een os, of klein vee: dat hij de priester zal geven de schouder, en beide kaken, en de pens.

4De eerstelingen van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering van uw schapen zult u hem geven;

5Want JAHWEH, uw God, heeft hem uit al uw stammen gekozen, dat hij sta, om te dienen in de Naam van JAHWEH, hij en zijn zonen, altijd.

6Verder wanneer een Leviet zal komen uit één van uw poorten, uit geheel Israël, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte van zijn ziel, tot de plaats, die JAHWEH zal hebben gekozen;

7En hij dienen zal in de Naam van JAHWEH, van zijn God, als al zijn broers, de Levieten, die daar voor het aangezicht van JAHWEH staan;

8Zo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijn verkoping bij de vaders.

9Wanneer u komt in het land, dat JAHWEH, uw God, u geven zal, zo zult u niet leren te doen naar de gruwelijke dingen van die volken.

10Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een bezweerder, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar.

11Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een dodenbezweerder, of die de doden vraagt.

12Want al wie dat doet, is JAHWEH een gruwel; en vanwege deze gruwelijke dingen verdrijft hen JAHWEH, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting.

13Oprecht zult u zijn met JAHWEH, uw God.

14Want deze volken, die u zult erven, horen naar bezweerders en waarzeggers; maar wat u betreft, JAHWEH, uw God, heeft u dat niet toegelaten.

15Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broers, als mij, zal u JAHWEH, uw God, verwekken; naar Hem zult u horen;

16Naar alles, wat u van JAHWEH, uw God, aan Horeb, op de dag van de verzameling, geëist hebt, zeggende: Ik zal niet doorgaan te horen de stem van JAHWEH, van mijn God, en dit grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve.

17Toen zei JAHWEH tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben.

18Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broers, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal.

19En het zal gebeuren, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van die zal Ik het zoeken.

20Maar de profeet, die hoogmoedig zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in de naam van andere goden, die profeet zal sterven.

21Zo u dan in uw hart zou mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat JAHWEH niet gesproken heeft?

22Wanneer die profeet in de Naam van JAHWEH zal hebben gesproken, en dat woord gebeurt niet, en komt niet; dat is het woord, dat JAHWEH niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; u zult voor hem niet vrezen.