BijbelDeuteronomium

Deuteronomium 19

Lees Deuteronomium 19 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Over het instellen van drie vrijsteden in het land Kanaan, en voor wie die een toevlucht zouden zijn, vers 1, enz. over het later instellen van nog drie andere vrijsteden, 8. over de straf van de moedwillige doodslager, 11. verbod om de grenzen van de naaste te verleggen, 14. over het aantal getuigen voor het gerecht en de straf van valse getuigen, 15.

1Wanneer JAHWEH, uw God, de volken zal hebben uitgeroeid, van wie het land JAHWEH, uw God, u geven zal, en u die erfelijk zult bezitten, en in hun steden en in hun huizen wonen;

2Zo zult u zich drie steden uitscheiden, in het midden van uw land, dat JAHWEH, uw God, u geven zal, om dat erfelijk te bezitten.

3U zult u de weg bereiden, en het gebied van uw land, dat u JAHWEH, uw God, zal doen erven, in drieën delen; dit nu zal zijn, opdat ieder moordenaar daarheen vlucht.

4En dit zij de zaak van de moordenaar, die daarheen vluchten zal, dat hij leve; die zijn naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, die hij toch van gisteren en eergisteren niet haatte;

5Als, die met zijn naaste in het bos zal zijn gegaan, om hout te houwen, en zijn hand met de bijl wordt aangedreven, om hout af te houwen, en het ijzer schiet af van de steel, en treft zijn naaste, dat hij sterve; die zal in één van deze steden vluchten en leven;

6Opdat de bloedwreker de moordenaar niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te ver zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel van de dood aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren.

7Daarom gebiede ik u, zeggende: U zult u drie steden uitscheiden.

8En als JAHWEH, uw God, uw gebied zal verruimen, zoals Hij uw vaders gezworen heeft, en u al dat land geven zal, dat Hij uw vaders te geven gesproken heeft;

9(Wanneer u al dit gebod zult waarnemen, om dat te doen, wat ik u vandaag gebiede, JAHWEH, uw God, liefhebbende, en alle dagen in Zijn wegen wandelende) zo zult u zich nog drie steden toedoen tot deze drie;

10Opdat het bloed van de onschuldigen niet vergoten wordt in het midden van uw land, dat u JAHWEH, uw God, als erfenis geeft, en bloedschulden op u zouden zijn.

11Maar wanneer er iemand zijn zal, die zijn naaste haat, en hem hinderlagen legt, en staat tegen hem op, en slaat hem aan het leven, dat hij sterve; en vlucht tot één van die steden;

12Zo zullen de oudsten van zijn stad zenden, en nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand van de bloedwreker geven, dat hij sterve.

13Uw oog zal hem niet sparen; maar u zult het bloed van de onschuldigen uit Israël wegdoen, dat het u welga.

14U zult het gebied van uw naaste, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat u erven zult, in het land, dat u JAHWEH, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten.

15Één enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan.

16Wanneer een valse getuige tegen iemand zal opstaan, om een afwijking tegen hem te betuigen;

17Zo zullen die twee mannen, die de twist hebben, staan voor het aangezicht van JAHWEH, voor het aangezicht van de priester, en van de rechters, die in die dagen zullen zijn.

18En de rechters zullen wel onderzoeken; en ziet, de getuige is een vals getuige, hij heeft valsheid betuigd tegen zijn broer;

19Zo zult u hem doen, zoals hij zijn broer dacht te doen; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen;

20Dat de overgeblevenen het horen en vrezen, en niet doorgaan meer te doen naar dit boze stuk, in het midden van u.

21En uw oog zal niet sparen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.