Deuteronomium 20
Lees Deuteronomium 20 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Goddelijke oorlogsverordeningen, namelijk: met welk vertrouwen zij ten strijde zouden trekken, vers 1. Hoe de priester het volk moest toespreken wanneer zij tot de strijd zouden komen, 2. De ambtslieden moesten bepaalde personen gebieden naar huis te gaan, 5. en dan hoofdlieden aan de spits van het volk aanstellen, 9. Ordening over het belegeren en innemen van steden, zowel buiten als binnen Kanaan, 10. welke bomen zij tijdens de belegering mochten omhakken of niet, 19.
1Wanneer u zult uittrekken tot de strijd tegen uw vijanden, en zult zien paarden en wagens, een volk, meerder dan u, zo zult u voor hen niet vrezen; want JAHWEH, uw God, is met u, Die u uit Egypteland heeft opgevoerd.
2En het zal gebeuren, als u tot de strijd nadert, zo zal de priester toetreden, en tot het volk spreken.
3En tot hen zeggen: Hoor, Israël! u bent vandaag na aan de strijd tegen uw vijanden; uw hart worde niet week, vreest niet, en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht.
4Want het is JAHWEH, uw God, Die met u gaat, om voor u te strijden tegen uw vijanden, om u te verlossen.
5Dan zullen de voormannen tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in de strijd, en iemand anders dat inwijde.
6En wie is de man, die een wijngaard geplant heeft, en daarvan vrucht niet heeft genoten? Die ga heen en kere weer naar zijn huis, opdat hij niet misschien in de strijd sterve en iemand anders die geniete.
7En wie is de man, die een vrouw ondertrouwd heeft, en haar niet tot zich heeft genomen? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien in die strijd sterve, en een ander man haar neme.
8Daarna zullen de voormannen doorgaan te spreken tot het volk, en zeggen: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat het hart van zijn broers niet smelte, zoals zijn hart.
9En het zal gebeuren, als die voormannen geëindigd zullen hebben te spreken tot het volk, zo zullen zij oversten van de legers aan het hoofd van het volk bestellen.
10Wanneer u nadert tot een stad om tegen haar te strijden, zo zult u haar de vrede toeroepen.
11En het zal gebeuren, als zij u vrede zal antwoorden, en u opendoen, zo zal al het volk, dat daarin gevonden wordt, u schatplichtig zijn, en u dienen.
12Maar zo zij geen vrede met u zal maken, maar strijd tegen u voeren, zo zult u haar belegeren.
13En JAHWEH, uw God, zal haar in uw hand geven; en u zult alles, wat mannelijk daarin is, slaan met de scherpte van het zwaard;
14Behalve de vrouwen, en de kinderen, en de beesten, en al wat in de stad zijn zal, al haar buit zult u voor u roven; en u zult eten de buit van uw vijanden, die u JAHWEH, uw God, gegeven heeft.
15Zo zult u aan alle steden doen, die zeer ver van u zijn, die niet zijn van de steden van deze volken.
16Maar van de steden van deze volken, die u JAHWEH, uw God, als erfenis geeft, zult u niets laten leven, dat adem heeft.
17Maar u zult ze geheel verbannen: de Hethieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, zoals u JAHWEH, uw God, geboden heeft;
18Opdat zij u niet leren te doen naar al hun gruwelijke dingen, die zij hun goden gedaan hebben, en u zondigt tegen JAHWEH, uw God.
19Wanneer u een stad vele dagen zult belegeren, strijdende tegen haar, om die in te nemen, zo zult u haar geboomte niet verderven, de bijl daaraan drijvende; want u zult daarvan eten; daarom zult u dat niet afhouwen (want het geboomte van het veld is het voedsel van de mens), opdat het voor uw aangezicht kome tot een bolwerk.
20Maar het geboomte, dat u kennen zult, dat het geen geboomte tot voedsel is, dat zult u verderven en afhouwen; en u zult een bolwerk bouwen tegen deze stad, die tegen u strijd voert, totdat zij ten onderga.