Deuteronomium 21
Lees Deuteronomium 21 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Wat men moest doen wanneer iemand verslagen in het veld gevonden werd en de doodslager onbekend was, vers 1, enz. Hoe een Israeliet moest handelen met een heidense vrouw die in de oorlog gevangen was, als hij die wilde trouwen, 10. Wet om het recht van de eerstgeboren zoon geenszins te bekorten, wanneer iemand twee vrouwen had en bij beiden zonen verwekt had, 15. Wet over de straf van een weerspannige zoon, 18. Wet over iemand die aan het hout opgehangen was, 22.
1Wanneer in het land, dat JAHWEH, uw God, u geven zal, om dat te erven, een verslagene zal gevonden worden, liggende in het veld, niet bekend zijnde, wie hem geslagen heeft;
2Zo zullen uw oudsten en uw rechters uitgaan, en zij zullen meten naar de steden, die rondom de verslagene zijn.
3De stad nu, die de naaste zal zijn aan de verslagene, daar zullen de oudsten van die stad een jonge koe van de runderen nemen, met die niet gewerkt is, die aan het juk niet getrokken heeft.
4En de oudsten van die stad zullen de jonge koe afbrengen in een ruw dal, dat niet bearbeid noch bezaaid zal zijn; en zij zullen deze jonge koe daar in het dal de nek doorhouwen.
5Dan zullen de priesters, de kinderen van Levi, toetreden; want JAHWEH, uw God, heeft hen gekozen, om Hem te dienen, en om in de Naam van JAHWEH te zegenen, en naar hun mond zal alle twist en alle plaag afgedaan worden.
6En alle oudsten van die stad, die naast aan de verslagene zijn, zullen hun handen wassen over deze jonge koe, die in dat dal de nek doorgehouwen is;
7En zij zullen betuigen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, en onze ogen hebben het niet gezien;
8Wees genadig aan Uw volk Israël, dat U, o JAHWEH! verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed in het midden van Uw volk Israël! En dat bloed zal voor hen verzoend zijn.
9Zo zult u het onschuldig bloed uit het midden van u wegdoen; want u zult doen, wat recht is in de ogen van JAHWEH.
10Wanneer u zult uitgetrokken zijn tot de strijd tegen uw vijanden; en JAHWEH, uw God, hen zal gegeven hebben in uw hand, dat u hun gevangenen als gevangene wegvoert;
11En u onder de gevangenen zult zien een vrouw, mooi van gestalte, en u lust tot haar gekregen zult hebben, dat u haar tot vrouw neemt;
12Zo zult u haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en haar nagels knippen.
13En zij zal het kleed van haar gevangenschap van zich afleggen, en in uw huis zitten, en haar vader en haar moeder een maand lang bewenen; en daarna zult u tot haar ingaan, en haar man zijn, en zij zal u tot vrouw zijn.
14En het zal gebeuren, als u geen behagen in haar hebt, dat u haar zult laten gaan naar haar begeerte; maar u zult haar in geen geval voor geld verkopen, u zult met haar geen winst drijven, daarom dat u haar vernederd hebt.
15Wanneer een man twee vrouwen heeft, één geliefde, en één gehate; en de geliefde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn;
16Zo zal het gebeuren, op de dag als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan de zoon van de geliefde, voor het aangezicht van de zoon van de gehate, die de eerstgeborene is.
17Maar de eerstgeborene, de zoon van de gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het begin van zijn kracht, het recht van de eerstgeboorte is het zijne.
18Wanneer iemand een moedwillige en opstandige zoon heeft, die de stem van zijn vader en de stem van zijn moeder niet gehoorzaam is; en zij hem gestraft zullen hebben, en hij naar hen niet horen zal,
19Zo zullen zijn vader en zijn moeder hem grijpen, en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten van zijn stad, en tot de poorte van zijn plaats.
20En zij zullen zeggen tot de oudsten van zijn stad: Deze onze zoon is afwijkende en opstandig, hij is onze stem niet gehoorzaam; hij is een brasser en dronkaard.
21Dan zullen alle mensen van zijn stad hem met stenen overwerpen, dat hij sterve; en u zult het boze uit het midden van u wegdoen; dat het geheel Israël hore, en vreze.
22Verder, wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel van de dood waard is, dat hij gedood zal worden, en u hem aan het hout zult opgehangen hebben;
23Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar u zult het zeker ten zelf dage begraven; want een opgehangene is voor God een vloek. Zo zult u uw land niet verontreinigen, dat u JAHWEH, uw God, als erfenis geeft.