Deuteronomium 23
Lees Deuteronomium 23 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Wie in de vergadering van de HEERE in het geheel niet mochten komen, en wie daarentegen in zekere mate wel, vers 1, enz. hoe en waarom het legerkamp rein gehouden moest worden, 9. hoe men moest handelen met een knecht die zijn heer ontvlucht was, 15. over hoeren en schandknapen, 17. over woeker, 19. over geloften, 21. over het plukken van druiven en aren, 24.
1Die door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal in de vergadering van JAHWEH niet komen.
2Geen bastaard zal in de vergadering van JAHWEH komen; zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering van JAHWEH niet komen.
3Geen Ammoniet, noch Moabiet zal in de vergadering van JAHWEH komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering van JAHWEH niet komen tot in eeuwigheid.
4Omdat zij u op de weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als u uit Egypte uittrokt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, de zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken.
5Maar JAHWEH, uw God, heeft naar Bileam niet willen horen; maar JAHWEH, uw God, heeft u de vloek in een zegen veranderd, omdat JAHWEH, uw God, u liefhad.
6U zult hun vrede en hun best niet zoeken, al uw dagen in eeuwigheid.
7De Edomiet zult u voor geen gruwel houden, want hij is uw broer; de Egyptenaar zult u voor geen gruwel houden want u bent een vreemdeling geweest in zijn land.
8Voor wat betreft de kinderen, die hun zullen geboren worden in het derde geslacht, elk van die zal in de vergadering van JAHWEH komen.
9Wanneer het leger uittrekt tegen uw vijanden, zo zult u zich wachten voor alle kwade zaak.
10Wanneer iemand onder u is, die niet rein is, door enig toeval in de nacht, die zal tot buiten het leger uitgaan; hij zal tot binnen het leger niet komen.
11Maar het zal gebeuren, dat hij zich tegen het naderen van de avond met water zal baden; en als de zon ondergegaan is, zal hij tot binnen het leger komen.
12U zult ook een plaats hebben buiten het leger, en daarheen zult u uitgaan naar buiten.
13En u zult een schopje hebben, naast uw gereedschap, en het zal gebeuren, als u buiten gezeten hebt, dan zult u daarmee graven, en u omkeren, en bedekken wat van u uitgegaan is.
14Want JAHWEH, uw God, wandelt in het midden van uw leger, om u te verlossen, en om uw vijanden voor uw aangezicht te geven; daarom zal uw leger heilig zijn, opdat Hij niets schandelijks onder u zie, en achteruit van u afkere.
15U zult een knecht aan zijn heer niet overleveren, die van zijn heer tot u ontkomen zal zijn.
16Hij zal bij u blijven in het midden van u, in de plaats, die hij zal verkiezen, in één van uw poorten, waar het goed voor hem is; u zult hem niet verdrukken.
17Er zal geen hoer zijn onder de dochters van Israël; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen van Israël.
18U zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis van JAHWEH, van uw God, brengen, tot enige gelofte; want ook die beiden zijn JAHWEH, uw God, een gruwel.
19U zult aan uw broer niet woekeren, met rente van geld, met rente van voedsel, met rente van enig ding, waarmee men woekert.
20Aan de vreemde zult u woekeren; maar aan uw broer zult u niet woekeren; opdat u JAHWEH, uw God, zegene, in alles, waaraan u uw hand slaat, in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven.
21Wanneer u JAHWEH, uw God, een gelofte zult beloofd hebben, u zult niet vertrekken die te betalen; want JAHWEH, uw God, zal ze zeker van u eisen, en zonde zou in u zijn.
22Maar als u nalaat te beloven, zo zal het geen zonde in u zijn.
23Wat uit uw lippen gaat, zult u houden en doen; zoals u JAHWEH, uw God, een vrijwillig offer beloofd hebt, dat u met uw mond gesproken hebt.
24Wanneer u gaan zult in de wijngaard van uw naaste, zo zult u druiven eten naar uw lust, tot uw verzadiging; maar in uw mand zult u niets doen.
25Wanneer u zult gaan in het staande koren van uw naaste, zo zult u de aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult u aan het staande koren van uw naaste niet bewegen.